Wet-Collard

Wet-Collard is de gangbare benaming voor de Belgische Wet van 27 juli 1955 houdende regelen inzake inrichting van het onderwijs van de Staat, de provincies en de gemeenten, en inzake subsidiëring door de Staat, van inrichtingen voor middelbaar, normaal- en technisch onderwijs. De wet werd voorbereid onder Léo Collard, minister van Openbaar Onderwijs in de socialistisch-liberale Regering-Van Acker IV.

De wet regelde verschillende aspecten van de organisatie en financiering van het onderwijs. In de politieke controverse stond vooral de beperking van en de strengere voorwaarden voor de subsidiëring van het vrij onderwijs centraal, dat in België in deze periode overwegend katholiek was. Daarnaast bevatte de regeling bepalingen over de kwalificaties en aanstelling van onderwijzend personeel en over de verdere uitbouw van het rijksonderwijs. Het wetsontwerp en de uiteindelijke wet behoorden tot de belangrijkste twistpunten van de tweede schoolstrijd van de jaren 1950.

Een grote groep betogers in Antwerpen tijdens een protest tegen de schoolpolitiek van minister Collard
Katholieke betoging in Antwerpen tegen de schoolpolitiek van Collard op 17 april 1955. Foto: Harry Pot/Anefo.

Achtergrond

De verhouding tussen het officiële en het vrije onderwijs vormde in België al langer een politiek en levensbeschouwelijk twistpunt. Onder de homogene christendemocratische regeringen-Pholien en -Van Houtte tussen 1950 en 1954 werd de subsidiëring van het katholieke middelbaar onderwijs uitgebreid met de Wetten-Harmel. De financiering werd dichter bij het stelsel van het rijksonderwijs gebracht en de bezoldiging van leerkrachten uit beide netten werd verder naar elkaar toegewerkt.

Na de parlementsverkiezingen van 11 april 1954 kwam de regering-Van Acker IV aan de macht, samengesteld uit socialisten en liberalen. Léo Collard, lid van de Belgische Socialistische Partij, werd minister van Openbaar Onderwijs. De nieuwe meerderheid wilde de uitbreiding van het rijksonderwijs hervatten en de regelingen inzake subsidiëring en personeelsbeleid in het vrije onderwijs herzien.

Op 1 februari 1955 diende de regering wetsontwerp nr. 217 in, met als titel Wetsontwerp houdende regelen inzake inrichting van het onderwijs van de Staat, de provincies en de gemeenten, en inzake subsidiëring door de Staat, van inrichtingen voor middelbaar, normaal- en technisch onderwijs. Het ontwerp leidde vrijwel onmiddellijk tot omvangrijk politiek en maatschappelijk verzet vanuit katholieke organisaties.

Inhoud

De wet-Collard was een kaderwet waarvan verschillende onderdelen verder moesten worden uitgevoerd bij koninklijk besluit. Haar werkingssfeer was breder dan alleen de subsidiëring van katholieke scholen. Zij bevatte regels voor de inrichting van onderwijs door de Staat, provincies en gemeenten en voor de subsidiëring van instellingen voor middelbaar, normaal- en technisch onderwijs.

Een belangrijk onderdeel betrof de voorwaarden waaronder onderwijzend personeel voor subsidiëring in aanmerking kwam. Voor de volledige staatstoelage op basis van het officiële weddebarema werd het bezit van het vereiste diploma een bepalende voorwaarde. Volgens het onderzoek van Lothaire, Demeuse en Derobertmasure vervielen daarmee ruime uitzonderingen voor personeel dat niet over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikte; geestelijken die onder de betrokken regeling vielen, ontvingen nog de helft van het officiële barema.

Ook in het officiële onderwijs werden de diploma- en aanstellingsvoorwaarden aangescherpt. Ten minste 52 procent van de leerkrachten in officiële scholen diende volgens de nieuwe regeling afgestudeerd te zijn aan een normaalschool van hetzelfde officiële onderwijsnet. Deze maatregel beperkte onder meer de mogelijkheid om in officiële scholen personeel aan te stellen dat in het vrije onderwijs was opgeleid.

De wet schafte de subsidiëring van het vrije onderwijs niet volledig af, maar verminderde bepaalde subsidies en verbond de overblijvende subsidiëring aan strengere voorwaarden. Daardoor ontstonden financiële moeilijkheden in delen van het katholieke onderwijs. Tegelijk stimuleerden de nieuwe kwalificatievoorwaarden volgens historisch onderzoek een versnelde professionalisering van het onderwijzend personeel in dat net.

Protest en tweede schoolstrijd

Het wetsontwerp leidde tot een brede mobilisatie van de katholieke zuil. Vooral in 1955 vonden grote betogingen plaats tegen het onderwijsbeleid van de regering. Op 26 maart 1955 trokken tienduizenden tegenstanders van het regeringsbeleid naar Brussel. Een nieuwe betoging vond plaats op 10 juli; de organisatoren spraken daarbij van 250.000 deelnemers. Dergelijke deelnemersaantallen verschillen per bron en moeten daarom worden onderscheiden van onafhankelijk vastgestelde tellingen.

De mobilisatie beperkte zich niet tot Brussel. In verschillende steden vonden manifestaties en andere protestacties plaats. De wet-Collard werd hierdoor een symbool van het bredere conflict tussen voorstanders van het officiële onderwijs en de katholieke organisaties die de positie en financiering van het vrije onderwijs verdedigden. In historisch onderzoek wordt de periode rond de totstandkoming van de wet als een hoogtepunt van de tweede schoolstrijd beschreven.

Gevolgen en Schoolpact

De nieuwe subsidiërings- en kwalificatievoorwaarden veroorzaakten financiële problemen voor het katholieke onderwijs, maar droegen tegelijk bij tot een snellere professionele opleiding van het onderwijzend personeel. Lothaire, Demeuse en Derobertmasure wijzen daarbij op een verjonging en gedeeltelijke secularisering van het personeelsbestand en op een bredere toepassing van diploma-eisen in de verschillende onderwijsnetten.

Na de parlementsverkiezingen van 1958 werd gezocht naar een politiek compromis over de onderwijsproblematiek. Vertegenwoordigers van de christendemocratische, socialistische en liberale partijen bereikten uiteindelijk het Schoolpact, dat op 20 november 1958 werd ondertekend. Het pact beoogde een duurzame regeling van de verhouding tussen het officiële en het vrije onderwijs, onder meer op het gebied van schoolkeuze en financiering.

De afspraken kregen een wettelijke basis met de Wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, doorgaans de Schoolpactwet genoemd. Daarmee werd het openlijke politieke conflict rond de onderwijsfinanciering gepacificeerd en werd een nieuw compromis tussen de onderwijsnetten vastgelegd.

Zie ook

Zie de categorie Wet-Collard van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.