| Wim Chamuleau | ||||
|---|---|---|---|---|
Wim Chamuleau in 1980 | ||||
| Algemene informatie | ||||
| Volledige naam | Willem Matheus Victor Chamuleau | |||
| Geboren | 21 april 1939 Maastricht | |||
| Overleden | 4 november 2009 Tilburg | |||
| Nationaliteit | ||||
| Beroep | Onderwijzer, rector, onderwijskundige | |||
| Bekend van | Eerste rector van het Ashram College | |||
| ||||
Wim Chamuleau (21 april 1939, Maastricht – 4 november 2009, Tilburg), was een Nederlands onderwijsdeskundige.
Eind jaren zestig kreeg hij landelijke bekendheid als de progressieve gedelegeerde en algemeen rapporteur van het pastoraal concilie. Chamuleau is echter het bekendst als de pionierende en spraakmakende rector onder wiens leiding het Ashram College in Alphen aan den Rijn in de zeventiger jaren uitgroeide tot een vlaggenschip van progressief middelbaar onderwijs in Nederland.
Chamuleau’s levensbeschouwing, gevormd door zijn rooms-katholieke opvoeding, bleef gedurende zijn leven richtinggevend voor zijn ambities en keuzes. Hij zag het katholicisme als “allesomvattend”.
In de jaren zeventig, toen de ontzuiling nog niet breed was aanvaard, leidde zijn open en inclusieve opvatting regelmatig tot spanningen met conservatieve katholieken. Tijdens zijn werkzaamheden als concilierapporteur ontwikkelde hij een filosofie die later de basis vormde van zijn onderwijsideaal: toegankelijkheid voor iedereen.
Wim Chamuleau werd op 21 april 1939 geboren als de tweede zoon van François (1906–1974) en Elisabeth Chamuleau - van der Voort (1903–1999). De familie Chamuleau, in geschrifte overigens Chamalaun, was een katholiek gezin dat uiteindelijk zes kinderen zou hebben: Frans (1937), Wim, Rob (1941), Marianne, Carla en Margot. Ondanks de patricische voorouders van moeders kant was het gezin relatief arm met als kostwinner een vader die leraar Wis- en Natuurkunde was aan de Gemeente HBS te Maastricht. Het gezin woonde aan de toenmalige Oude Wolderweg (anno 2021 de Athoslaan), schuin tegenover de Sint-Theresiakerk, wat toen aan de rand van Maastricht lag. Wims vroegste herinneringen beginnen halverwege de Tweede Wereldoorlog, toen hij met zijn familie veel tijd in de schuilkelder spendeerde tijdens geallieerde bombardementen en razzia's in Maastricht. Deze periode werd gekenmerkt door angst en armoede.
De eerste jaren na de oorlog had hij een relatief onbezorgde tijd waar hij vrij kon spelen en zwerven in de toen nog natuurlijke omgeving van Maastricht. De Belgische grens was op wandelafstand en via weilanden en akkers konden de mergelgrotten en Pietersberg verkend worden. In 1950, op zijn elfde, verhuisde het gezin naar Delft. Wim kon maar moeilijk wennen aan de stedelijke omgeving en de "Noord-Hollandse" cultuur. De afkeer voor de stad zou hem zijn hele leven bijblijven. Financieel had het gezin van met zes kinderen het niet gemakkelijk. Vader was aanvankelijk leraar wis- en natuurkunde aan de gemeentelijke HBS in Maastricht en later Instructeur Wis- en Natuurkunde aan de TH Delft. Het onderwijs werd slecht betaald en moeder moest werken als kooklerares aan de huishoudschool, kamers in het huurhuis werden onderverhuurd en spaarbankboekjes werden geleegd. In zijn vrije tijd viste Wim graag. Op zijn elfde deed hij zelfs mee aan een hengelwedstrijd, overigens zonder noemenswaardig resultaat. Hij voetbalde en hij was ook bedreven in tafeltennis. In zijn Leidse studententijd voetbalde hij bij RKSV Docos en tafeltenniste hij bij Docos.
In weerwil van zijn vader, die hem graag het Gymnasium Bèta zag doen, deed Wim het Gymnasium Alfa aan het St. Stanislascollege in Delft. Hij deed er zijn eindexamen in 1957, waarna hij in aan de universiteit van Leiden Frans ging studeren. Na een kandidaatsexamen Franse taal- en letterkunde in 1960 rondde hij zijn studie in 1963 af met een doctoraal Frans.
In 1962 trouwde hij in La Rochelle, Frankrijk, met Nicole Porcheron (†1991), die hij in 1958 gedurende de Wereldexpositie te Brussel had leren kennen. Uit dit huwelijk zouden vier kinderen voortkomen.
In 1961 werd Chamuleau leraar Frans aan het Fioretti College in Lisse. In 1969 was hij aangewezen als gecommitteerde bij het afnemen van de mondelinge eindexamens voor de havo.
Hij zou in die jaren naast zijn baan diverse maatschappelijke activiteiten ontplooien. Als vervolg op de bijeenkomst gehouden in de Vredesweek eerder in 1969, werd in het najaar in Lisse een forum gehouden met het motto "En wij in Lisse?" Het ging over wat men in de bollenstreek in het algemeen en in Lisse in het bijzonder aan ontwikkelingshulp kon doen. Chamuleau en zijn collega van het Fioretti college, John Bougie, waren hiervan leden die met 129 genodigden uit de bollenstreek de bijeenkomst bijwoonden. Chamuleau wilde die avond een punt maken: Hij verwees naar de grote projecten in Lisse, zoals het overdekte zwembad en de sporthal, alsook naar de luxe aan huis. "Zouden we niet eens een week rijst kunnen eten en de rest sparen voor ontwikkelingswerk?" Het was een aanknopingspunt in de discussie over de vraag wat men kon doen in het ontwikkelingsproject op regionaal niveau.
Van 1968 tot 1970 vond op initiatief van kardinaal Alfrink in Noordwijkerhout het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie plaats. Chamuleau vertegenwoordigde er samen met Ad Simonis, destijds kapelaan, het bisdom Rotterdam. Daarnaast trad hij op als algemeen rapporteur namens de delegaties van de zeven bisdommen. In die functie bracht hij verslag uit van de standpunten binnen de delegaties en stelde hij overkoepelende rapportages op.
Tijdens de vierde plenaire zitting in april 1969 speelde Chamuleau een prominente rol in de besprekingen over onder meer kerkelijk gezag, geloofsvrijheid en experimentele vieringen. Hij verdedigde daarbij de ruimte voor uiteenlopende geloofsopvattingen en stelde bij het verbod op experimentele diensten in de Utrechtse studentenparochie de vraag waarom het geweten van het kerkelijk gezag zwaarder zou wegen dan dat van de betrokken studentenpastores. Aan het einde van de zitting deelde hij mee dat de besproken rapporten overeenkomstig de aanbevelingen van de vergadering zouden worden aangepast.
Tijdens de vijfde plenaire zitting in januari 1970 werd gesproken over het verplichte celibaat. Chamuleau verwoordde de opvattingen van de diocesane delegaties en hielp de voorstellen zo te formuleren dat erover kon worden gestemd, terwijl de bisschoppen ruimte behielden voor overleg met Rome. Het concilie sprak zich met grote meerderheid uit tegen het verplichte celibaat.
Tijdens de laatste plenaire zitting in april 1970 nam Chamuleau deel aan het debat over catechese en de positie van jongeren binnen de kerk. Tegenover Simonis stelde hij dat de kerk ook van jongeren kon leren. Vanuit zijn onderwijskundige achtergrond benadrukte hij bovendien dat catechese gegeven moest worden door docenten met de vereiste pedagogische kwaliteiten.

Op de slotdag, 8 april 1970, bracht Chamuleau zijn laatste rapportage uit. In zijn afsluitende toespraak prees hij de bisschoppen omdat zij het concilie mogelijk hadden gemaakt en nam hij het initiatief tot een staande ovatie voor Alfrink en de overige bisschoppen. Het concilie werd afgesloten met het voornemen de dialoog tussen gelovigen en kerkelijk gezag voort te zetten.
In mei 1970 verzette Chamuleau zich als lid van de diocesane pastorale raad van het bisdom Rotterdam tegen de geheimhouding rond de voordracht van een nieuwe bisschop. Hij beschouwde openbaarheid als essentieel en weigerde als enige de vertrouwelijke kandidatenlijst te aanvaarden, omdat hij niet voor geheimhouding wilde instaan. Later dat jaar werd Ad Simonis tot bisschop van Rotterdam benoemd. In 1972 volgde de benoeming van Joannes Gijsen tot bisschop van Roermond, tegen het advies van de Nederlandse bisschoppen en buiten de voordracht van het Roermondse kapittel om.
In reactie op het beleid van Rome werd in 1972 de hervormingsgezinde beweging Open Kerk opgericht. De beweging pleitte voor meer openheid, inspraak en democratisering binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Binnen enkele maanden telde zij ongeveer vijfduizend sympathisanten, onder wie Chamuleau. De uitgangspunten van Open Kerk sloten aan bij de progressieve opvattingen die hij tijdens het pastoraal concilie had uitgedragen.
Chamuleaus lidmaatschap van de parochieraad, decanale raad en diocesane raad, zijn deelname met Ad Simonis aan het Pastoraal Concilie namens het bisdom Rotterdam en zijn werk als rapporteur namens de verschillende bisdommen waren voor schoolbestuursvoorzitter C.W. Kroft belangrijke redenen om hem in 1971 als rector aan te nemen. Chamuleau kreeg de opdracht de samenvoeging van de rooms-katholieke Sint-Bonifatius-mavo en een havo in Alphen aan den Rijn te begeleiden.

Chamuleau ontwikkelde een onderwijsvisie waarin een humane, rechtvaardige en voor iedereen toegankelijke schoolgemeenschap centraal stond. In nota’s behandelde hij onder meer de identiteit en opbouw van de school, democratische besluitvorming, catechese en pastoraat. Een catecheet diende volgens hem niet alleen vertrouwd te zijn met de Joods-Bijbelse traditie, maar ook met de leefwereld van jongeren en maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Voor de nieuwe school werd de naam Ashram College gekozen, naar de ashram als leefgemeenschap waarin mensen ongeacht leeftijd, geloof, huidskleur, politieke overtuiging of maatschappelijke positie konden worden opgenomen. Deze zogenoemde Ashram-gedachte werd richtinggevend voor de school. Chamuleau streefde daarbij naar deelname aan het vernieuwende middenschoolexperiment. Zijn open interpretatie van de katholieke identiteit kreeg veel steun van docenten, leerlingen en ouders, maar riep ook weerstand op bij conservatieve katholieken.
In 1972 werd de scholengemeenschap uitgebreid met een atheneum. Onder leiding van Chamuleau, destijds een van de jongste rectoren van Nederland, en conrector Harry van Casteren groeide het Ashram College uit tot een moderne scholengemeenschap. Leerlingen mochten meedenken over het nieuwe schoolgebouw, dat werd ontworpen door de Haagse architect en kunstenaar Rudi Bleeker. De school kende een vergaand democratische organisatie. In de plenaire vergadering overlegden de directie, docenten en vertegenwoordigers van de leerlingen gezamenlijk over actuele schoolzaken. De groei en vernieuwende werkwijze maakten het Ashram College tot een belangrijke kandidaat voor het middenschoolexperiment.
Vanaf 1978 ontstond een conflict tussen de schoolleiding en het schoolbestuur over de democratische werkwijze en de katholieke identiteit van de school. Chamuleau en Van Casteren meenden dat zij mede verantwoording verschuldigd waren aan de plenaire vergadering, terwijl het bestuur vond dat de directie uitsluitend tegenover het bestuur verantwoording moest afleggen. Externe organisatiedeskundigen adviseerden de disciplinaire dreigementen van het bestuur te beëindigen en een overgangsbestuur te vormen. Nadat Chamuleau en Van Casteren tegen de wens van het bestuur in de plenaire vergadering over het conflict hadden geïnformeerd, werd Chamuleau in oktober 1979 voorwaardelijk ontslagen en Van Casteren voorwaardelijk geschorst. Een grote meerderheid van de docenten, leerlingen en ouders kwam tegen deze maatregelen in verzet. Het bestuur stemde uiteindelijk in met de vorming van een overgangsbestuur, maar handhaafde de maatregelen tegen Chamuleau en Van Casteren, waardoor een impasse ontstond.

Begin 1980 verscherpte het conflict door verdeeldheid binnen de oudervereniging en onenigheid over de voorgenomen middenschool. Het schoolbestuur erkende het opnieuw gekozen ouderbestuur niet, waarop de oudervereniging in een kort geding vertegenwoordiging in het schoolbestuur en voortzetting van het experiment probeerde af te dwingen. Ook een bemiddelingsvoorstel van de docenten leidde niet tot een oplossing. Minister Pais stelde daarop als voorwaarde dat vóór 1 mei een oplossing moest worden bereikt om het experiment te laten doorgaan. Een daaropvolgend voorstel, dat volgens de betrokkenen met de vakbonden was afgestemd, voorzag in het vertrek van Chamuleau en Van Casteren met wachtgeld. De docenten wezen dit af, omdat zij beiden als drijvende krachten achter de middenschool beschouwden. Nadat Chamuleau op 27 maart 1980 op non-actief was gesteld, nam hij ontslag onder de voorwaarde dat het middenschoolexperiment alsnog zou beginnen. Het bestuur aanvaardde zijn ontslag; formeel eindigde zijn dienstverband op 1 april 1981.
Kort na Chamuleaus ontslag kondigde het schoolbestuur aan dat het middenschoolexperiment zou doorgaan. De voorbereidingen liepen echter vertraging op, mede doordat ongeveer dertig voor het experiment opgeleide docenten uit solidariteit met Chamuleau vertrokken. In juni 1980 oordeelde het ministerie dat de school nog niet gereed was, maar het experiment mocht een jaar later alsnog beginnen. Het schoolbestuur werd in oktober 1980 uitgebreid, waarna voorzitter Maas en de bestuursleden Ponsioen en Van Klink vertrokken. Chamuleau waarschuwde vanuit zijn nieuwe positie buiten de school dat door het vertrek van ervaren docenten veel voorbereidend werk verloren was gegaan.
Oud-docent en kunstenaar Han van Hagen legde in een bijdrage aan het Leidsch Dagblad de verantwoordelijkheid voor het conflict bij het toenmalige schoolbestuur. In juni 1981 rehabiliteerde het nieuwe schoolbestuur Chamuleau en Van Casteren. Het erkende dat het vorige bestuur hun ten onrechte het functioneren aan de school onmogelijk had gemaakt en bood beiden de gelegenheid terug te keren. Zij zagen daarvan af. Nadat ouders, docenten en het nieuwe bestuur zich tegen verder uitstel hadden verzet, keurde het ministerie een aangepast plan goed en ging het middenschoolexperiment in augustus 1981 alsnog van start.
In een tijd waar ontzuiling nog in volle gang was en een tolerante houding in de maatschappij nog alles behalve gemeengoed was, zwom Chamuleau tegen de stroom van de behoudende katholieke kerk in om van binnen de katholieke omgeving middels een 'alles omvattende' katholicisme het katholieke wereldbeeld open te breken. Hij vertegenwoordigde daarin de jonge progressieve generatie gedurende het pastoraal concilie waar hij hun gedachten verwoordde en bijdroeg aan de strijd voor democratie en openheid binnen de kerk.
Later bracht hij zijn ideeën in de praktijk middels het Ashram college, wat zijn levenswerk zou worden. Hij was er om zijn progressieve ideeën en slagvaardigheid aangenomen, maar werd daarna paradoxaal genoeg om deze eigenschappen tegengewerkt door ditzelfde bestuur. Het was niet zonder de toegewijde en bevlogen steun van zijn staf dat hij toch zijn ideeën in de praktijk kon brengen. Tezamen met zijn staf was hij de grondlegger van ideeën als mentoraat, vakintegratie, projectonderwijs en vormingsdoelen, die nieuw waren in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw, maar anno 2021 gemeengoed in de Nederlandse onderwijs zijn geworden. De verrichtingen van deze mensen van het eerste uur hebben de basis gelegd voor wat een vlaggenschip werd voor modern middelbaar onderwijs in de jaren tachtig en een grote schoolgemeenschap die anno 2021, een kleine veertig jaar later, nog altijd de genen van hun inspanningen in zich draagt.
Martin Duivenvoorden, de derde en met vijftien dienstjaren de langstzittende rector aan het Ashram college, beschreef Chamuleau als volgt:
Hij leidde de school van 1971 tot 1981. In die bewogen zeventiger jaren begon hij - samen met andere pioniers - een onderwijsmodel dat uniek was in die tijd. Zaken als mentoraat, vakintegratie, projectonderwijs en vormingsdoelen, die nu op de meeste scholen als gewoon beschouwd worden, waren toen nieuw en werden door hem ingebracht. En hij kreeg het voor elkaar om jonge, enthousiaste docenten mee te nemen op dit avontuur. Wim Chamuleau was een man die groot was in gestalte en in ideeën. Zijn bevlogenheid en idealisme zijn alleen al terug te vinden in de bijzondere naamgeving van de school. Wim Chamuleau heeft ervoor gezorgd dat de passie voor het onderwijs in de genen van de school zit.
— Martin Duivenvoorden, in het Ashram Bulletin
Chamuleau's ideeën zijn daarna in het Nederlandse onderwijs verspreid door zijn inspanningen gedurende de jaren tachtig en negentig toen hij als onderwijsdeskundige namens het Katholieke Pedagogische Centrum uitbreidingen en fusies van scholen in het Voortgezet onderwijs en het Middelbaar beroepsonderwijs begeleidde.