

Von Wolzogen (ook: von Wolzogen am Perg, von Wolzogen auf Missingdorf, von Wolzogen auf Arnstein, Von Wolzogen und Neuhaus, von Wolzogen zu Neuhaus, von Wolzogen zu Neuhaus auf Bauerbach, Hillebrandt von Wolzogen, von Wolzogen Kühr, von Wolzogen ook genaamd Bor) is van oorsprong een Tirools adellijk geslacht. Het geslacht behoort tot de Oostenrijkse, Boheemse, Duitse, Hongaarse en Poolse adel en vestigde zich later ook in Nederland onder het predicaat Jonkheer.
De familie Von Wolzogen vindt haar oorsprong in 1393, toen Chunrad Wolzogen als leenhouder voor het eerst in bronnen wordt vermeld.
In 1607 werd de Neuhaus-tak van de familie verheven van de ridderstand tot de rang van Freiherr. In 1702 ontvingen zij daarnaast de titel van Reichsfreiherr binnen de Oostenrijkse, Boheemse, Hongaarse en Duitse adel.
Leden van de familie dienden als militaire bevelhebbers, diplomaten, kunstenaars, filosofen, (bestuurs)ambtenaren en filmproducenten.
De familie Wolzogen vindt haar oorsprong in 1393, toen Chunrad Wolzogen voor het eerst in een oorkonde werd vermeld als leenhouder van een hof in Neder-Oostenrijk. Het betrof de Hube in der Linden auf dem Berg in de heerlijkheid Strengberg, een leengoed dat toebehoorde aan de abdij van Tegernsee.
In de 16e eeuw vond de eerste opsplitsing van geslacht plaats onder de zonen van Lorenz Wolzogen, waardoor twee hoofdlijnen ontstonden:

De Missingdorf-tak van de familie Wolzogen is vernoemd naar het landgoed Missingdorf in Neder-Oostenrijk.
In 1569 ontving Andreas Wolzogen van keizer Maximiliaan II het postmeesterschap in Košice, Hongarije als beloning voor zijn militaire en diplomatieke verdiensten. Tijdens de Lange Turkse Oorlog vluchtte de familie in 1593 naar Neder-Oostenrijk, waar Andreas in 1599 tot ridder werd verheven. Na zijn overlijden verwierf zijn weduwe Felicitas Lackner in 1614 het landgoed Missingdorf, waarnaar deze familietak later werd genoemd.
In de 17e eeuw breidde Matthias von Wolzogen auf Missingdorf (1588–1665), directeur van de geheime raad in Oldenburg, de familiebezittingen verder uit. Hij verwierf landgoederem in Oostenrijk, Silezië en Kaschau en later ook in Oldenburg.
De Neuhauser tak van de familie Wolzogen werd gesticht door Paul I Wolzogen.
In 1595 verwierf zijn zoon, Hans Christoph I von Wolzogen, Schloss Neuhaus door het te kopen van Bernhard Rabatto, die het kasteel sinds 1572 in bezit had. Onder Hans Christoph I werd het kasteel uitgebreid en tussen 1610 en 1612 werd de slotkerk gebouwd.
Tijdens de Contrareformatie in 1628 verloor de familie Wolzogen, vanwege hun protestantse geloof in het overwegend katholieke Oostenrijk, het bezit van Neuhaus. Het kasteel werd vervolgens verkocht aan keizer Ferdinand II, de naam "Neuhaus" bleef in het bezit van de familie.
Prinses Charlotte van Mecklenburg-Strelitz (1769-1818), de latere hertogin van Saksen-Hildburghausen, werd vanaf haar twaalfde jaar opgevoed door Magdalena von Wolzogen.
Aan het begin van de 18e eeuw splitste de Neuhauser-lijn zich in twee takken: de Mühlfeld-tak en de Bauerbach-tak.
Enkele telgen
De Mühlfelder tak van de familie Wolzogen ontstond toen Hans Christoph II Freiherr von Wolzogen zu Neuhaus in 1715 het kasteel liet bouwen.
Boven de hoofdingang bevindt zich een cartouche met een Latijnse inscriptie die verwijst naar de verdrijving van de familie van het landgoed Neuhaus in Oostenrijk in 1628, toen keizer Ferdinand II de protestantse adel uit zijn gebieden liet uitwijzen.
Na de dood van Johann Christoph bleef het bezit nog enige tijd in handen van zijn nakomelingen. In 1786 werd het kasteel echter verkocht aan de Freiherren von Seefried, waarna de familie de Mühlfelder tak en het bezit in Mühlfeld opgaf. De erfenis werd verdeeld onder de kinderen van Johann Christoph II, Sophia, Elisabeth, Luise en Ernst Ludwig I.

De Bauerbach tak van de familie Wolzogen ontstond in 1697, toen het landgoed Bauerbach door Hans Christoph II Freiherr und bannerherr von Wolzogen, werd verworven. Na hem kwam het bezit in handen van zijn zoon Ernst Ludwig I die het landgoed al op jonge leeftijd erfde.
Het landgoed bleef van 1697 tot 1853 onafgebroken in het bezit van de familie Wolzogen.
In de 18e eeuw kreeg het landgoed literaire betekenis doordat de jonge Friedrich Schiller er, van 7 december 1782 tot 24 juli 1783, onderdak vond tijdens zijn vlucht uit Stuttgart.

Het huis werd destijds bewoond door Henriette Freifrau von Wolzogen, née Marschalk Freiin von Ostheim weduwe van Ernst Ludwig I. Henriette had Schiller al eerder haar hulp aangeboden en stelde hem drie kamers op de bovenverdieping van het landhuis ter beschikking, waar hij in rust kon werken.
Aan het einde van de 18e eeuw splitste de Bauerbach tak zich op in drie zijtakken: de Javaanse tak, de Silezische/Pommerse tak en de Kalbsriether tak.
In 1782 vluchtte Friedrich Schiller uit Stuttgart, waar hij student en officier was aan de Karlsschule, een militaire en kunstacademie onder toezicht van hertog Carl Eugen van Württemberg. De vlucht was het gevolg van persoonlijke meningen en strenge toezicht door de hertog, geruchten zijn dat Schiller mogelijk gearresteerd zou worden vanwege zijn literaire activiteiten.
Via zijn studiegenoot en vriend Wilhelm von Wolzogen vond Schiller in december 1782 onderdak bij Wilhelm zijn moeder Henriette Freifrau von Wolzogen in Bauerbach. Tijdens zijn verblijf werkte hij aan zijn toneelstuk Kabale und Liebe en maakte hij de eerste schetsen van Don Carlos. Schiller raakte verliefd op Henriëttes dochter Charlotte von Wolzogen (1766-1794), hoewel deze gevoelens eenzijdig bleven.
In 1787 ontmoette Schiller tijdens een verblijf in Rudolstadt Charlotte von Lengefeld (1766-1826) en haar zus Caroline von Lengefeld (1763-1847). Charlotte von Lengefeld trouwde in 1790 met Schiller, en Caroline trouwde in 1794 met Wilhelm von Wolzogen.

De Indische tak van de familie Wolzogen werd gesticht in 1795 door Carl Freiherr von Wolzogen, die als kolonel van het Württembergse Kapregiment naar Nederlands-Indië (Java) vertrok. Hij kreeg daar de hoge functie, generaal-inspecteur van de bossen. Carl trouwde in 1793 met de weduwe van zijn vriend Carl Friedrich Graaf von Bose, Johanna Frederika Freiin von Stralendorff.
Susanna Charlotte von Wolzogen (1795–1871) de dochter van Carl von Wolzogen. Haar oudste broer, Carl August Christoph von Wolzogen, had twee zonen, L.A.W. von Wolzogen en H.K.E. von Wolzogen die beiden kinderloos bleven. Haar jongste broer, August Philip Frederik von Wolzogen, bleef ongehuwd en liet geen nageslacht na.
Enkele telgen

De Dubberzin tak van de familie Wolzogen ontstond in Achter-Pommeren, waar de familie het graafschap Dubberzin bezat. In 1786 ontving de familie von Krockow het graafschap. In 1851 kwam het in handen van Johanne Antonie Rosalie Freifrau von Wolzogen, née Gravin von Krockow de weduwe van Karl Gottlieb Ludwig Freiherr von Wolzogen.

De Kalbsrieth‑tak van de familie Wolzogen is vernoemd naar het landgoed Kalbsrieth in Thüringen. Deze tak werd gesticht door generaal Ludwig Freiherr von Wolzogen (1773–1845), die het landgoed in 1821 overnam van de familie von Kalb.
Zijn zoon, Alfred Freiherr von Wolzogen (1823–1883), erfde het landgoed; na zijn overlijden ging het bezit eerst naar zijn dochter Emilie Freiin von Wolzogen, die haar aandeel later overdroeg aan haar zus Hildegard Freiin von Wolzogen.
Hildegard bracht Kalbsrieth in via haar huwelijk met Otto Freiherr von Stockhorner von Starein, waarna de familie Stockhorner von Starein het landgoed tot 1908 beheerde. In dat jaar schreef Otto zelf het boek Aus der Geschichte des Rittergutes Kalbsrieth und seiner Bewohner, waarin hij de geschiedenis van het landgoed en zijn bewoners vastlegde.