Zeeduinchampignon

Zeeduinchampignon
Zeeduinchampignon (Agaricus devoniensis)
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Agaricaceae
Geslacht:Agaricus
Soort
Agaricus devoniensis
P.D. Orton (1960)
Synoniemen

Psalliota arenicola
Agaricus arenophilus

Afbeeldingen op Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De zeeduinchampignon (Agaricus devoniensis) is een schimmel uit de familie Agaricaceae. Het is een relatief kleine, witachtige champignon die karakteristiek is voor kustduinen. De soort leeft als terrestrische saprotroof op organisch materiaal in het duinzand en wordt vooral aangetroffen in helmvegetaties en schrale, mosrijke duingraslanden.

Taxonomie

De soort werd in 1960 door de Britse mycoloog Peter Darbishire Orton als Agaricus devoniensis beschreven. De naam Psalliota arenicola Wakef. & A. Pearson uit 1946 heeft betrekking op dezelfde soort. Ook Agaricus arenophilus Huijsman wordt als synoniem beschouwd.

Moleculair onderzoek plaatst de soort in Agaricus sectie Bivelares, de groep waartoe onder meer ook de gewone champignon (Agaricus bisporus) en de straatchampignon (Agaricus bitorquis) behoren. Onderzoek aan ITS-sequenties liet binnen deze sectie een afzonderlijke A. devoniensis-groep zien. De naam sectie Bivelares heeft daarbij prioriteit boven het later gebruikte Duploannulati of Duploannulatae.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed heeft gewoonlijk een diameter van (25–)30–50(–55) mm. Hij is aanvankelijk gewelfd en wordt later vlak. De kleur is wit tot witachtig, soms met een lichtbruine tint in het centrum; bij oudere exemplaren kunnen gelige vlekken ontstaan. Het oppervlak is vrij glad tot enigszins vezelig. Vruchtlichamen zijn vaak gedeeltelijk in het zand begraven, waardoor zand aan de hoed kan blijven kleven.

Lamellen

De lamellen staan dicht opeen en zijn vrij van de steel. Ze zijn aanvankelijk grijsachtig roze tot rozegrijs en worden tijdens de rijping donkerbruin tot bijna zwart. De lamelsnede is gaaf en wit of ongeveer gelijk gekleurd aan het lamelvlak.

Steel

De steel meet 25–50 × 5–10(–15) mm en is witachtig. Omdat het vruchtlichaam zich vaak diep in het losse duinzand ontwikkelt, bevindt een groot deel van de steel zich onder het zand. De steel draagt een smalle, zwak ontwikkelde, opstijgende ring. Deze is vergankelijk en kan bij oudere exemplaren vrijwel verdwenen zijn. Soms zijn op de onderste steel nog vlokkige resten van het velum aanwezig.

Vlees

Het vlees is wit en verkleurt bij beschadiging niet of slechts zwak roze tot bruinachtig.

Geur

De geur is zwak en weinig opvallend, soms enigszins radijsachtig.

Sporenafdruk

De sporenafdruk is donker- tot chocoladebruin.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn glad, ellipsvormig tot breed ellipsvormig en hebben geen kiempore. Ze meten (6,0–)6,5–7,5 × (4,0–)4,5–5,5 µm. Het Q-getal bedraagt 1,20–1,40(–1,55), met een gemiddelde Q van ongeveer 1,25–1,30(–1,45).

De cheilocystiden zijn (15–)20–33 × 9–13(–15,5) µm groot. Ze zijn knotsvormig, kleurloos of bevatten een bruine inhoud en staan niet in ketens.

Ecologie

De zeeduinchampignon is kenmerkend voor de lijzijde van de zeereep, vooral in primaire, matig dynamische duinen. Hij groeit op plaatsen waar nog regelmatig zand wordt aangevoerd, maar waar de vegetatie het zand al gedeeltelijk heeft vastgelegd.

De soort groeit zowel tussen helm (Ammophila arenaria) als in schrale, vaak mosrijke duingraslanden. Hij is een bodembewonende saprotroof en leeft van organische bestanddelen in het humusarme duinzand. Nederlandse gegevens wijzen vooral op droge kustduinen, zeeduinen en humusarm zand als habitat en substraat.

De soort kan zowel in kalkrijke als kalkarme kustduinen voorkomen. In kalkarme duingebieden wordt hij onder meer langs met schelpen verharde paden gevonden.

Verspreiding

De zeeduinchampignon is vooral bekend uit zandige kustgebieden van Europa. In Nederland ligt het belangrijkste verspreidingsgebied in de kustduinen. De soort heeft daar een vrijwel aaneengesloten verspreiding van Walcheren tot Rottumeroog, zowel in de kalkrijke als in de kalkarme duinen. Binnen dit gebied kan hij plaatselijk vrij algemeen tot algemeen zijn, maar de soort groeit doorgaans lokaal en in betrekkelijk lage dichtheden. Daarnaast zijn enkele vindplaatsen bekend langs zeearmen in Zeeland en Zuid-Holland en uit het Lauwersmeergebied.

Gevalideerde Nederlandse waarnemingen zijn vooral afkomstig uit Noord-Holland, Friesland, Zuid-Holland en Zeeland; veel minder waarnemingen zijn bekend uit Groningen en Flevoland.

De verspreiding is niet tot de Europese kust beperkt. In het Qilian-gebergte in de Chinese provincie Gansu werd materiaal verzameld dat op basis van zowel morfologische kenmerken als een fylogenetische analyse van meerdere genen als A. devoniensis werd geïdentificeerd. Dit vormde de eerste gepubliceerde melding van de soort uit China.

Uit Noord-Amerika is afwijkend materiaal beschreven als Agaricus devoniensis subsp. bridghamii, onder andere van grond bij sparren in Colorado. Species Fungorum behandelt deze naam tegenwoordig als een synoniem van Agaricus devoniensis.

Herkenning

De combinatie van een relatief kleine, witachtige en vrijwel ongeschubde hoed, jonge roze lamellen, een smalle opstijgende ring, nauwelijks verkleurend vlees en het voorkomen in stuivende kustduinen is karakteristiek. Doordat de vruchtlichamen vaak diep in het zand staan, zijn de stelen geregeld grotendeels aan het oog onttrokken.

Foto's