Andries de Wilde

Andries de Wilde
Andries de Wilde
Algemene informatie
Geboortedatum 21 november 1781Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Amsterdam
Overlijdensdatum 27 april 1865Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats Utrecht
Begrafenis/crematiedatum 2 mei 1865
Begraafplaats Nederlands Hervormde Begraafplaats Hoge Vuurseweg
Werk
Beroep chirurgijn, planter, grootgrondbezitter, ondernemer en lexicograaf
Functies chirurgijn-majoor, koffieopziener, assistent-resident, superintendent van vaccinatie en administrateur
Studie
School/universiteit Universiteit Leiden
Studie geneeskunde
Familie
Partner(s) Cornelia Henrica Neitzel (gehuwd 1820–1865)
Vader Cornelis de Wilde
Moeder Marretje Harsnis
Stiefouder Johann Friedrich Jacob Steitz
Kinderen twaalf kinderen uit het huwelijk; daarnaast drie dochters uit eerdere relaties op Java, voor wie in 1820 legitimatie werd verzocht
Broers en zussen Christoffel Steitz de Wilde
Persoonlijk
Talen Nederlands, Maleis en Soendanees

Andries de Wilde (Amsterdam, 21 november 1781 – Utrecht, 27 april 1865) was een Nederlands chirurgijn, koloniaal ambtenaar, planter, grootgrondbezitter, ondernemer en lexicograaf. Op Java was hij onder meer koffieopziener, assistent-resident van Bandoeng, toezichthouder op de vaccinatie tegen pokken en administrateur van de particuliere Soekaboemi-landen. Hij speelde een belangrijke rol in de agrarische ontwikkeling van dat gebied en is in de Indonesische geschiedschrijving nauw verbonden met de naamgeving van het huidige Sukabumi. Zijn in de Preanger opgedane kennis van het Maleis en Soendanees vormde de basis voor een vroeg Nederlands-Maleis-Soendanees woordenboek. Na zijn definitieve terugkeer naar Nederland ontwikkelde hij het landgoed Pijnenburg bij Baarn tot een omvangrijk agrarisch en landschappelijk geheel.

Biografie

Jeugd en opleiding

Andries was een telg uit het geslacht De Wilde. Zijn overgrootvader Christoffel de Wilde, zoon van Christiaan de Wilde, was afkomstig uit Stade en trad in 1687 als onderscheepstimmerman in dienst van de VOC. Andries was een zoon van de scheepstimmerman en koopman Cornelis de Wilde (1736–1787) en Marretje Harsnis (1746–1810). De tekenaar en kunstschilder Christoffel Steitz de Wilde (1784–1860) was zijn jongere broer. Andries was ruim vijf jaar oud toen zijn vader overleed. Op elfjarige leeftijd ging hij als matroos naar zee met zijn stiefvader, de uit Pyrmont afkomstige scheepschirurgijn Johann Friedrich Jacob Steitz (1761–1810), ook Frederik genoemd.

Op zestienjarige leeftijd werd De Wilde tijdens de Slag bij Kamperduin in 1797 door de Britten krijgsgevangen genomen. Gedurende ongeveer twee jaar gevangenschap in Plymouth maakte hij zich het Engels eigen. Na zijn vrijlating keerde hij terug naar Nederland, waar hij in Leiden geneeskunde studeerde. In 1803 vertrok hij als chirurgijn naar Java.

Bestuurlijke loopbaan op Java

De Wilde arriveerde in 1803 in Batavia en werd daar in koloniale dienst als chirurgijn aangesteld. In 1805 volgde zijn benoeming tot chirurgijn-majoor bij de artillerie en dragonders. Onder gouverneur-generaal Herman Willem Daendels trad hij tevens op als diens lijfarts en persoonlijk assistent. Door zijn kennis van de plaatselijke talen fungeerde hij bij contacten met de regenten van de Preanger ook als tolk en tussenpersoon. Volgens latere beschrijvingen vertaalde hij daarbij niet uitsluitend letterlijk, maar probeerde hij ook de soms harde toon van Daendels tegenover de plaatselijke bestuurders te verzachten.

In 1808 werd De Wilde belast met het toezicht op de teelt van koffie in en rond Buitenzorg. Vanaf 1809 werkte hij als koffieopziener in en rond Bandoeng, Tarogong en Oedjoeng-Broeng. Tijdens het Britse bestuur van Java werd hij op 10 augustus 1812 benoemd tot assistent-resident te Bandoeng. Daarmee maakte hij deel uit van het koloniale binnenlandse bestuur onder luitenant-gouverneur Thomas Stamford Raffles. In mei 1814 legde hij zijn functie als assistent-resident neer.

Oedjoeng-Broeng en Soekaboemi

In januari 1813 verwierf De Wilde tijdens de door het Britse bestuur georganiseerde verkoop van landerijen het zogeheten Lot 3 ten noordoosten van Bandoeng, het gebied Oedjoeng-Broeng. Het land omvatte tientallen dorpen en uitgestrekte rijst- en koffiegronden. De Wilde behield het gebied ongeveer zes jaar en verkocht het in 1819.

Landschap bij Soekaboemi (1818), geschilderd door De Wildes broer Christoffel Steitz de Wilde

Eveneens in 1813 raakte De Wilde samen met Raffles, resident Thomas Macquoid en voormalig gouverneur Nicolaus Engelhard betrokken bij de verwerving van de uitgestrekte landerijen in het toenmalige regentschap Tjiandjoer die bekend zouden worden als de Soekaboemi-landen. Raffles bezat aanvankelijk de helft, terwijl Macquoid, Engelhard en De Wilde ieder een zesde deel bezaten. Nadat de persoonlijke betrokkenheid van Raffles bij de grondverkopen tot kritiek en beschuldigingen van belangenverstrengeling had geleid, trok hij zich in 1814 uit het bezit terug. De Wilde en Engelhard bezaten daarna ieder vijf twaalfde en Macquoid een zesde. Door latere overdrachten kwam uiteindelijk vijf zesde van het landcomplex onder controle van De Wilde; het resterende zesde deel bleef bij Macquoid.

De Wilde werd administrateur en belangrijkste exploitant van de Soekaboemi-landen. Hij liet wegen en irrigatiewerken aanleggen, breidde de rijstbouw en koffieaanplant uit en stimuleerde nieuwkomers zich in het gebied te vestigen. Door irrigatie konden meer sawahs worden aangelegd en nam de voedselproductie toe. Hij experimenteerde met landbouwmethoden, nieuwe gewassen en veerassen. Oudere biografische literatuur vermeldt dat de koffieproductie onder zijn bestuur ongeveer verdrievoudigde en beschreef Soekaboemi als een voorbeeld voor latere Europese plantages en landerijen op Java.

De Wilde is in de plaatselijke geschiedschrijving nauw verbonden geraakt met de naam Soekaboemi. In een brief aan Engelhard van 13 januari 1815 schreef hij dat hij op verzoek van plaatselijke hoofden de naam Tjicolle had veranderd in Soeka Boemie. Modern lokaal onderzoek heeft deze traditionele voorstelling genuanceerd: de naam Sukabumi komt al voor in een document van 7 januari 1813 voor het bredere particuliere landcomplex. De naamswijziging van 1815 lijkt daarom vooral betrekking te hebben gehad op Tjicolle en de nederzetting waaruit de latere stad Sukabumi voortkwam.

Arbeid en verhouding tot de bevolking

De arbeidsverhoudingen op De Wildes landerijen zijn in de historiografie verschillend beoordeeld. De Wilde keerde zich fel tegen de zware herendiensten en andere lasten die via het bestaande regentenstelsel aan de bevolking werden opgelegd, evenals tegen de verplichte levering van koffie aan het gouvernement tegen zeer lage vaste prijzen. Volgens zijn eigen geschriften en oudere beschrijvingen probeerde hij arbeiders en nieuwe bewoners mede aan zijn landerijen te binden door behoorlijke betaling, verbetering van de voedselvoorziening en relatief gunstige bestaansvoorwaarden. Het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek vermeldt dat hij de arbeid behoorlijk betaalde en goed voor zijn mensen zorgde en beschrijft hem als een bij de bevolking geliefde landheer. Het aantrekken van nieuwe bewoners was tegelijkertijd ook economisch van belang, omdat voor de exploitatie van het uitgestrekte gebied veel arbeidskrachten nodig waren.

De historicus Jan Breman heeft dit gunstige beeld in moderner onderzoek genuanceerd. Volgens hem richtte De Wildes verzet zich niet tegen iedere vorm van gedwongen koffiecultuur of arbeidsverplichting. Op zijn particuliere landerijen moesten boeren eveneens koffie verbouwen, terwijl voor irrigatie, ontginning, wegenbouw en andere werkzaamheden ook onbetaalde of onderbetaalde boerenarbeid werd gemobiliseerd. De Wilde en Engelhard bekritiseerden tegelijkertijd de buitensporige arbeidsvorderingen van regenten, die boeren te weinig tijd lieten voor de productie van hun eigen voedsel. Het conflict ging daarmee niet eenvoudig over vrije tegenover dwangarbeid, maar ook over de vraag wie de productie, arbeidsinzet en opbrengsten van de koloniale landbouw beheerste.

Vaccinatie en geneeskunde

Naast zijn bestuurlijke en agrarische werkzaamheden bleef De Wilde als arts actief. Op 13 mei 1815 werd hij onder Raffles belast met het toezicht op de pokkenvaccinatie in de Preanger. In officiële opgaven werd hij aangeduid als Superintendent of Vaccination. Zijn werkzaamheden werden later uitgebreid en hij bleef tot 1819 betrokken bij de bestrijding van pokken en de toepassing van vaccinatie in onder meer de Preanger, Cirebon en Karawang. De Wilde stelde later dat onder zijn toezicht ongeveer 40.000 kinderen waren gevaccineerd. De Haan en Schoute achtten dat aantal waarschijnlijk te hoog.

Taalstudie en woordenboek

De Wilde verwierf gedurende zijn verblijf in de Preanger een voor een Europese bestuurder in die tijd opvallende praktische kennis van het Maleis en Soendanees. Daardoor kon hij zonder voortdurende tussenkomst van tolken met plaatselijke bestuurders en inwoners spreken. Hij gaf bovendien taal- en schrijfonderwijs aan onder anderen een zoon van de regent van Bandoeng en zoons van andere plaatselijke hoofden. Voor deze lessen liet hij woorden vertalen en in zowel het Latijns schrift als Javaans schrift opschrijven en begon hij systematisch woordenlijsten samen te stellen.

Titelblad van De Wildes Nederlands-Maleis-Soendanese woordenboek (1841)

De aldus ontstane verzameling vormde de basis voor zijn Nederduitsch, Maleisch en Soendasch Woordenboek. Een bewaard afschrift van het manuscript draagt het jaartal 1819. De taalkundige Taco Roorda bezorgde in 1841 de gedrukte uitgave onder de titel Nederduitsch, Maleisch en Soendasch Woordenboek, benevens twee stukken tot oefening in het Soendasch. Het werk bevat Nederlandse trefwoorden met Maleise en Soendanese equivalenten, waarbij het Soendanees zowel in Latijns als Javaans schrift werd weergegeven. Het behoort tot de vroege gedrukte werken van de lexicografie waarin het Soendanees systematisch werd beschreven.

Conflict met het koloniale bestuur

Na het herstel van het Nederlandse gezag op Java raakten De Wilde en zijn mede-eigenaren in een langdurig conflict met het koloniale bestuur. Daarbij speelden de rechtsgeldigheid van de tijdens het Britse bestuur verrichte landverkopen, de verplichte koffieleveranties, de positie van de regenten en de bestuurlijke bevoegdheden van particuliere landeigenaren een rol. De Wilde kwam onder meer tegenover gouverneur-generaal Godert van der Capellen en resident Pieter Herbert van Lawick van Pabst te staan. Van der Capellen wilde de positie van de traditionele regenten versterken en de vergaande macht van Europese particuliere landeigenaren beperken.

Eind 1819 vertrok De Wilde naar Nederland om de belangen van de eigenaren van Soekaboemi bij de regering te verdedigen. In juni 1821 werd hij door koning Willem I ontvangen. Bij Koninklijk besluit van juli 1821 kwam de koning de eigenaren op belangrijke punten tegemoet, onder meer ten aanzien van de prijs en afzet van hun koffie. Het Indische bestuur verzette zich vervolgens tegen de uitvoering van deze beslissing.

Bij zijn terugkeer naar Java probeerde De Wilde zijn landbouwkundige plannen verder uit te voeren. Hij charterde het schip De Hoop, dat hij naar zijn vrouw liet omdopen tot Cornelia Henrica. Het schip vertrok op 31 december 1821 uit Amsterdam en bereikte Batavia in juli 1822. Aan boord bevonden zich naast zijn gezin onder anderen landbouwkundige vaklieden. De Wilde voerde landbouwgereedschappen, werktuigen voor zuivelbereiding, een rijstmolen, fokvee, planten, bomen en zaden mee. Daarmee wilde hij nieuwe landbouwmethoden, gewassen en geselecteerd vee op zijn Javaanse landerijen introduceren.

De verhouding met het Indische bestuur verbeterde echter niet. In 1822 lieten De Wilde, Engelhard en Macquoid hun protest tegen de handelwijze van het bestuur notarieel vastleggen. Vervolgens begonnen onderhandelingen over terugkoop van Soekaboemi door het gouvernement. Uiteindelijk werd voor de landerijen een bedrag van 800.000 gulden overeengekomen. Begin 1823 werd de terugkoop vastgesteld en kort daarna verliet De Wilde Java definitief.

De Wilde bleef in Nederland om erkenning en financiële genoegdoening verzoeken. Op 10 januari 1838 richtte hij opnieuw een rekest aan de koning. Op 15 februari volgde een beschikking van het ministerie van Koloniën onder minister Johannes van den Bosch. Op dat ministerie was Arnoldus Brocx op dat moment secretaris-generaal; Brocx had in 1834 gedurende enkele maanden zelf het ministerschap van Koloniën waargenomen. Een nieuwe financiële vergoeding werd De Wilde niet toegekend. Hij meende uit de beschikking echter wel te mogen opmaken dat zijn handelwijze niet langer als laakbaar werd beschouwd en zag daarin een vorm van rehabilitatie. Hij publiceerde zijn rekest en de bijbehorende officiële stukken datzelfde jaar in het Adres aan Zijne Majesteit den Koning, wegens het voorgevallene ten aanzien van Soekaboemie.

Gezin

Tijdens zijn verblijf in Nederland trouwde De Wilde op 27 september 1820 in Amsterdam met Cornelia Henrica Neitzel (1803–1892), dochter van zijn vriend, de Stettinse zeekapitein Johann Friedrich Neitzel (1769–1819) en Mary Day Venning (1780–1826). De Wilde en Neitzel kenden elkaar reeds uit hun krijgsgevangenschap in Plymouth en ontmoetten elkaar in 1803 opnieuw in Kaapstad. Neitzel overleed daar in 1819. Mary Day Venning was afkomstig uit een familie met wortels in Altarnun in Cornwall.

Het echtpaar De Wilde-Neitzel kreeg twaalf kinderen, vijf zoons en zeven dochters. Hun oudste dochter Cornelia Maria Elisabeth de Wilde (1821–1890) huwde in 1841 te Baarn met de predikant, theoloog en hoogleraar Johannes Jacobus van Oosterzee. Zoon Johan Frederik Lodewijk de Wilde (1832–1877) werd directeur van de Hollandsch-Belgische Stoombootmaatschappij. Een andere zoon, Christoffel Neijtzell de Wilde (1836–1916), studeerde rechten en werd notaris in Utrecht; hij voegde later de familienaam van zijn moeder aan zijn eigen naam toe en ging zich Neijtzell de Wilde noemen.

Vóór zijn huwelijk had De Wilde op Java drie dochters bij de Javaanse vrouwen Keijsem en Mawar. In 1820 verzocht hij voor deze kinderen om brieven van wettiging. Het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië stelde vast dat De Wilde inmiddels met de kinderen naar Nederland was vertrokken en daardoor buiten de rechtsmacht van de gouverneur-generaal viel, waardoor toen nog geen beslissing op het verzoek werd genomen.

De Amerikaanse acteur Brandon deWilde (1942–1972) stamde langs twee familielijnen van Andries de Wilde af: via diens dochter Johanna Mathilda de Wilde (1829–1910), die zich in de Verenigde Staten vestigde, en via zijn zoon Johan Frederik Lodewijk de Wilde.

Pijnenburgse periode

Na zijn terugkeer naar Nederland kocht De Wilde in 1823 het landgoed Pijnenburg bij De Vuursche, op het grondgebied van de huidige gemeenten Soest en Baarn. Hij gebruikte Pijnenburg als buitenplaats en bleef daarnaast als heelmeester werkzaam. Het in Indië opgebouwde vermogen investeerde hij in landbouw, ontginning en uitbreiding van het landgoed. Hij kocht omliggende gronden, waaronder delen van Hees, liet lanen en weteringen aanleggen en maakte delen van heide en hoogveen geschikt voor landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt.

Op het landgoed liet De Wilde pachtboerderijen en daglonerswoningen bouwen. Vier hoeven werden naar zijn zoons genoemd: de Andrieshoeve (1827), die in de plaatselijke geschiedschrijving met De Kooi wordt verbonden, de Lodewijkshoeve (1832), de Christoffelhoeve (1836) en de Gerritshoeve (1845), later Wijkerhoek genoemd. Een vijfde boerderij kreeg in 1849, bij gebrek aan nog een zoon naar wie zij kon worden genoemd, de naam Bouwlust. De Lodewijkshoeve en Bouwlust zijn later gesloopt; Christoffelhoeve en Wijkerhoek bestaan nog.

'Eerste steen' ter gelegenheid van de uitbreiding van huis Pijnenburg in 1835

In 1835 liet De Wilde het huis Pijnenburg naar ontwerp van architect Erik Frederik Homan ingrijpend vergroten. Haaks op het oudere huis werd een grotere en hogere vleugel gebouwd, waardoor het gebouw een T-vormige plattegrond kreeg. De nieuwe hoofdingang werd voorzien van een monumentale zuilenportiek in neoclassicistische stijl. Aan de achterzijde liet De Wilde door tuinarchitect Hendrik van Lunteren een park in Engelse landschapsstijl met slingerende waterpartijen en lanen aanleggen.

Andries en Cornelia Henrica de Wilde-Neitzel voor Pijnenburg (1840)

Toen de bedrijfsvoering hem te zwaar werd, verkocht De Wilde in 1860 het noordelijke deel van Pijnenburg aan mr. Herman Albrecht Insinger (1827–1911), directeur van de Amsterdamsche Kanaalmaatschappij en later lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De Wilde behield het zuidelijke deel en liet daar Zuid-Pijnenburg, het huidige De Hoefslag, bouwen. Na zijn overlijden verwierf Insinger in oktober 1865 ook dit deel van het landgoed.

Overige ondernemingen en laatste jaren

Buiten Pijnenburg participeerde De Wilde in verschillende ondernemingen. In 1849 was hij medeoprichter en directeur van de Maatschappij tot Exploitatie der Westerborker en Broekvenen in Drenthe. Het toenmalige Aardrijkskundig Woordenboek vermeldde de maatschappij als staande onder directie van J.C. Rahder en A. de Wilde. De onderneming kocht grote veengebieden voor vervening en ontginning; de aanleg van waterwegen in het gebied droeg bij aan het ontstaan van Nieuweroord. Na een zakelijk geschil met Rahder werden de bezittingen in de jaren 1850 verdeeld. In 1864 was De Wilde betrokken bij de omzetting van zijn resterende belangen in de Veen- en Industrie-Maatschappij Nieuweroord.

De Wilde nam daarnaast deel aan andere agrarische en zakelijke ondernemingen en investeerde in onroerend goed. Hij liet woningen bouwen in Utrecht, waar hij 's winters en aan het einde van zijn leven woonde.

Andries de Wilde op oudere leeftijd

De Wilde overleed op 27 april 1865 in Utrecht, 83 jaar oud. Op 2 mei werd hij begraven op de Nederlands Hervormde Begraafplaats Hoge Vuurseweg te Lage Vuursche.

Graf van Andries de Wilde op de begraafplaats te Lage Vuursche

Werken

Betekenis en historiografie

De Wilde bleef na zijn vertrek uit Java door zijn publicaties een bron voor discussies over de Preanger, particulier grondbezit, koloniale arbeidsverhoudingen en de koffiecultuur. Rond de parlementaire behandeling van het stelsel van gedwongen koffieteelt in 1870 werd zijn boek uit 1830 nog aangehaald als bron voor de toestand in de regio vóór 1830.

In het omvangrijke Algemeen Verslag der uitkomsten van het onderzoek betreffende de koffijcultuur op Java, dat in de Bijlagen bij de Handelingen van de Staten-Generaal van 1870–1871 werd opgenomen, kwam Soekaboemi aan de orde bij de beoordeling van arbeidslonen, lasten en de houding van de bevolking tegenover de koffiecultuur. In latere biografische literatuur werd dit rapport opgevat als een postume erkenning van De Wildes verdiensten voor Soekaboemi en zijn inwoners. Dit werd als volgt samengevat: „In het uitvoerig rapport in de Bijlagen der Handelingen van de Staten-Generaal van 1870/1871 kan men lezen, hoe de verdiensten van De Wilde ten aanzien van Soekaboemi en deszelfs inwoners eindelijk ook in de volksvertegenwoordiging met waardering worden vermeld.”

In oudere Nederlandse biografische literatuur lag sterk de nadruk op De Wildes ondernemerschap, zijn conflict met het koloniale bestuur en zijn reputatie als relatief goed werkgever. In modernere geschiedschrijving is meer aandacht gekomen voor de bredere koloniale machts- en arbeidsverhoudingen waarbinnen zijn ondernemingen functioneerden. Breman benadrukte daarbij dat economische vernieuwing, bevolkingsgroei en verbetering van de voedselproductie naast verplichte, onbetaalde of onderbetaalde arbeid konden bestaan.

In Indonesië, en in het bijzonder in West-Java, is De Wilde onderwerp gebleven van lokale en regionale geschiedschrijving. Hij wordt daar niet alleen verbonden met de vroege geschiedenis en naamgeving van Sukabumi, maar ook met de ontwikkeling van de landbouw, pokkenvaccinatie en de vroege schriftelijke bestudering van het Soendanees. De Soendanese cultuurhistoricus Atep Kurnia publiceerde in 2022 een uitvoerige, 24-delige biografische reeks waarin De Wildes loopbaan aan de hand van Nederlandse, koloniale en Indonesische bronnen, oude kranten, reisverslagen en zijn bewaard gebleven dagboek opnieuw werd onderzocht.

Zie de categorie Andries de Wilde van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.