Antwerpse pogrom

Synagoge aan de Van den Nestlei aangevallen tijdens de Antwerpse Pogrom, paasmaandag 14 april 1941

De Antwerpse pogrom was een georganiseerde antisemitische geweldsuitbarsting op paasmaandag 14 april 1941 in de Joodse wijk rond het Centraal Station in Antwerpen. De gebeurtenis wordt ook de Antwerpse Kristallnacht genoemd. Na een vertoning van de antisemitische Duitse propagandafilm Der Ewige Jude in Cinema Rex trokken naar schatting tweehonderd tot vierhonderd mensen naar de Joodse wijk. De filmvertoning was georganiseerd door de nationaalsocialistische en antisemitische organisatie Volksverwering. Onder de deelnemers aan het daaropvolgende geweld bevonden zich ook leden van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), de Algemeene-SS Vlaanderen en enkele Duitse militairen.

Tijdens de pogrom werden Joodse winkels, woningen en gebedshuizen aangevallen. Meer dan tweehonderd winkelruiten en ramen werden vernield en winkels werden geplunderd. Twee synagogen en het huis van een rabbijn werden aangevallen en er werd brand gesticht. Brandweerlieden werden bij het blussen gehinderd. Volgens de geraadpleegde historische bronnen vielen bij het geweld geen doden of gewonden.

Achtergrond

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verbleven naar schatting 35.500 Joden in Antwerpen. De gemeenschap was samengesteld uit mensen met uiteenlopende nationaliteiten, talen, politieke opvattingen en religieuze achtergronden. Veel Antwerpse Joden waren immigranten of vluchtelingen en bezaten niet de Belgische nationaliteit. Een aanzienlijk deel van de Joodse bevolking woonde in de zesde en zevende stadswijk, in de straten rond het Centraal Station.

In de jaren dertig nam het antisemitisme in Antwerpen toe. Een van de organisaties die anti-Joodse propaganda verspreidden was Volksverwering, in het Frans La Défense du Peuple. De organisatie was in 1937 opgericht en was vooral in Antwerpen actief. Zij combineerde antisemitisme met nationaalsocialistische ideeën en publiceerde onder meer het blad Volksverwering, later voortgezet als Volksche Aanval.

Na de Duitse bezetting van België in mei 1940 werden vanaf oktober van dat jaar de eerste anti-Joodse verordeningen ingevoerd. Joden moesten zich registreren, werden uit openbare functies verwijderd en Joodse ondernemingen werden aan steeds meer beperkingen onderworpen. De pogrom van 14 april 1941 werd bovendien voorafgegaan door verscheidene kleinere anti-Joodse incidenten en opstootjes in Antwerpen.

Voorbereiding en deelnemers

Volksverwering organiseerde op 14 april 1941 een vertoning van Der Ewige Jude in Cinema Rex aan de De Keyserlei. De film, die in opdracht van het Duitse naziregime was gemaakt, stelde Joden voor aan de hand van antisemitische stereotypen. Na afloop van de vertoning werden de toeschouwers opgeroepen naar de Joodse wijk te trekken.

Volgens de historische synthese van Hannes Pieters was de daaropvolgende actie niet spontaan, maar voorbereid en georkestreerd. Vooral de groep rond de Antwerpse nationaalsocialist Gustaaf Vanniesbecq en diens medestander Piet Verhoeven wordt daarbij genoemd. Verhoeven zou na de filmvertoning de aanwezigen hebben aangespoord hem te volgen. De Duitse Propaganda-Abteilung was vooraf over de actie ingelicht en liet de gebeurtenissen fotograferen.

De menigte bestond uit naar schatting tweehonderd tot vierhonderd personen. Naast militanten van Volksverwering namen leden van het VNV en de Algemeene-SS Vlaanderen deel. Ook bevonden zich Duitse militairen onder of bij de menigte.

Verloop

De groep vertrok in de omgeving van het Statieplein en de Breydelstraat en trok vervolgens via de De Keyserlei en de Pelikaanstraat naar de Oostenstraat en de Van den Nestlei. Onderweg werden antisemitische pamfletten op de etalages van Joodse winkels aangebracht. Toen winkeliers protesteerden, werden winkelruiten ingegooid en handelszaken geplunderd.

In de Joodse wijk vernielden de relschoppers meer dan tweehonderd ramen en etalages. Het geweld richtte zich daarnaast tegen de Synagoge Romi Goldmuntz in de Van den Nestlei, de Machsiké Hadass-synagoge in de Oostenstraat en tegen het huis van een rabbijn. In en bij de gebedshuizen werd brand gesticht. De menigte verhinderde brandweerlieden aanvankelijk om het vuur te blussen. De vernielingen verspreidden zich verder door de wijk, onder meer naar de Somersstraat.

Hoewel de materiële schade groot was, zijn volgens de beschikbare historische overzichten geen doden of gewonden geregistreerd. Dit onderscheidt de Antwerpse gebeurtenis onder meer van de Kristallnacht van november 1938 in Duitsland en Oostenrijk, waarmee zij in de latere geschiedschrijving regelmatig werd vergeleken.

Houding van politie en stadsbestuur

De aanwezige Antwerpse politieagenten waren met te weinig en waren onvoldoende uitgerust om tegen de menigte op te treden. De politie vroeg de Duitse Feldgendarmerie om bijstand, maar deze weigerde in te grijpen omdat het volgens haar om een stedelijke politieaangelegenheid ging. Er werden tijdens of onmiddellijk na de pogrom geen deelnemers aangehouden.

Burgemeester Leo Delwaide kon tijdens de gebeurtenissen niet worden bereikt. Volgens zijn secretaris verbleef hij in zijn buitenverblijf in Kapellenbos. Pas op 15 april kwam er een reactie van het stadsbestuur. Een rapport van de Belgische Staatsveiligheid uit 1943 omschreef de houding van de burgemeester en het politiekorps volgens Pieters als een vorm van beschamende passiviteit.

Nasleep

Een politierapport van het zesde arrondissement van 18 augustus 1941 vermeldde dat een deel van de beschadigde ramen en etalages vier maanden na de pogrom nog steeds niet of slechts voorlopig was hersteld. Het rapport bevatte ook een lijst met getroffen Joodse winkeliers en bewoners.

De pogrom vond plaats voordat de vervolging van de Antwerpse Joden in 1942 verder escaleerde. In dat jaar volgden onder meer verplichte tewerkstelling, de invoering van de Jodenster, massa-arrestaties, razzia's en deportaties via de Kazerne Dossin naar Auschwitz-Birkenau.

Historiografische duiding

In de geschiedschrijving wordt de gebeurtenis zowel als een pogrom als onder de benaming Antwerpse Kristallnacht beschreven. De benaming verwijst naar het openlijke, collectieve geweld tegen Joodse bewoners, winkels en gebedshuizen. Historici benadrukken tegelijkertijd dat de omvang en het aantal slachtoffers niet gelijk waren aan die van de Kristallnacht in nazi-Duitsland: in Antwerpen vielen geen geregistreerde doden of gewonden.

De pogrom wordt ook besproken in het onderzoek naar de zogenoemde Antwerpse specificiteit van de Jodenvervolging. Daarmee wordt onder meer verwezen naar de aanwezigheid van sterk georganiseerde antisemitische collaboratiemilieus in Antwerpen en naar de passieve of meewerkende houding van delen van het stadsbestuur en het politieapparaat tijdens de vervolging.

Zie ook