| Zeestreepvaren | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Asplenium marinum L. (1753) | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Zeestreepvaren (Asplenium marinum) is een plantensoort uit de streepvarenfamilie (Aspleniaceae).
De botanische naam van het geslacht, Asplenium, is afgeleid van Oudgriekse ἄσπληνον, asplēnon (= miltkruid). De soortaanduiding marinum verwijst naar de zee.
Zeestreepvaren is een kleine (tot 40 cm), groenblijvende varen (hemikryptofyt) met korte, rechtopstaande rizomen en in bundels geplaatste bruine bladstelen. De bladeren zijn langer dan de steel, eenvormig, de bladschijf ovaal of lancetvormig, stevig, lederachtig, slechts eenmaal gedeeld. De acht tot twintig blaadjes van tweede orde zijn dikwijls asymmetrisch gevormd, met een lob aan de topzijde, de bladrand gekarteld. De sporenhoopjes zijn streepvormig en liggen in paren halverwege tussen de bladrand en de middennerf aan de onderzijde van het blad, bedekt met een dekvliesje.
Zeestreepvaren heeft geen 'dubbelgangers'. Bovendien treedt zij bijna nooit met andere streepvarens op, doordat ze de enige is die haar extreme zeerotsmilieu trotseert.
Zeestreepvaren is een chasmofyt; ze vestigt zich in spleten en gaten van stenig substraat. De soort komt alleen voor in kustgebieden. Ze verdraagt zeesproei uitstekend en wordt soms zelfs in de spatzone aangetroffen. Karakteristieke standplaatsen zijn verticale of hellende delen van rotsen, beschoeiingen en keermuren langs het zoute water.
Het verspreidingsgebied van zeestreepvaren strekt zich uit langs de kusten van de Atlantische Oceaan vanaf het zuiden van Noorwegen, het noorden en westen van Verenigd Koninkrijk, de westkust van Frankrijk en de noordkust van Spanje en in de Middellandse Zee tot in Turkije.