
Planetoïden, ook wel asteroïden genoemd, zijn stukken materie uit de vroege periode van ons zonnestelsel, ongeveer 4,6 miljard jaar geleden, die zich evenals planeten en dwergplaneten in een baan rond de Zon bewegen. Verreweg de meeste planetoïden hebben banen tussen de planeten Mars en Jupiter, in de zogenaamde planetoïdengordel. De grootste planetoïden hebben diameters van rond de 500 km, maar de overgrote meerderheid is veel kleiner. Het kleinste gruis kan met een telescoop niet worden waargenomen, maar komt vaak als vallende sterren op Aarde terecht. De bekende planetoïden zijn van samenstelling ijsachtig, steenachtig, of ijzer- en nikkelhoudend.
Er wordt met de Europese ruimtetelescoop Gaia, die op 19 december 2013 door de ESA is gelanceerd, onder andere onderzoek naar planetoïden gedaan. Er waren 1 492 803 planetoïden bekend in januari 2026.

'Planetoïde' betekent planeetachtig en zo werden ze eerst ook genoemd. In vorige eeuwen was niet bekend wat voor hemellichamen dit waren. Ze werden daarom later asteroïde, sterachtig genoemd, omdat ze net als sterren aan de hemel leken te staan. Asteroid of asteroide kwam daardoor in een aantal andere talen in gebruik. Dat woord komt in Nederlandstalige teksten vooral voor als de tekst is vertaald.
Er zijn op het 26ste congres van de Internationale Astronomische Unie op 24 augustus 2006 nieuwe definities ingevoerd. Onder een klein zonnestelsellichaam wordt een hemellichaam verstaan dat vroeger als planetoïde of komeet werd aangeduid. Hiermee is dus ook het onderscheid tussen deze laatstgenoemde groepen komen te vervallen, omdat dit in de praktijk niet houdbaar bleek. Objecten die wel een baan om de Zon beschrijven, maar te klein zijn om door hun eigen zwaartekracht de vorm van een ellipsoïde aan te nemen, dus om rond te worden, zijn kleine zonnestelsellichamen.
Tegelijkertijd werden dwergplaneten gedefinieerd. Het hemellichaam moet om dwergplaneet te worden genoemd een omloopbaan rond de Zon hebben en zwaar genoeg zijn om door zijn eigen zwaartekracht de vorm van een ellipsoïde, een afgeplatte bol hebben aangenomen. Afhankelijk van het soort materiaal gebeurt dit bij een diameter van 200 tot 900 km. Pluto, voorheen tot de planeten gerekend, en Ceres, voorheen als planetoïde bekend, werden hierbij ingedeeld.
Op de volgende manier krijgen planetoïden een naam. Na de ontdekking krijgt een planetoïde een voorlopige aanduiding. Als de baan nauwkeurig bepaald is kent het Minor Planet Center een nummer toe. Daarna mag de ontdekker het object een definitieve naam geven.
In december 2022 hadden 23.608 planetoïden een naam.

Enkele planetoïden zijn sinds 1991 door ruimtesondes van dichtbij gefotografeerd: Gaspra, Ida, Eros, Mathilde, Braille, Annefrank en Itokawa. Deze foto's laten zien dat het onregelmatige, aardappelvormige steenklompen zijn, met veel kleine en soms grotere kraters. Ze lijken daarmee erg op sommige manen, zoals de Marsmaan Phobos of de Saturnusmaan Phoebe. Dat zijn waarschijnlijk eerst ook planetoïden geweest, die later door een planeet werden ingevangen. Er is ook is er gelijkenis met de rots- en ijsachtige kernen van kometen. Dat planetoïden een grillige vorm hebben, blijkt ook uit het feit dat vele een regelmatig wisselende helderheid hebben: kennelijk zien we door de aswenteling vanop de Aarde afwisselend een heldere of brede, en een donkere of smalle kant.
Kleine zonnestelsellichamen hebben in tegenstelling tot planeten of dwergplaneten niet min of meer de vorm van een bol. Dat komt doordat ze zo klein en licht zijn. Hoe meer massa een hemellichaam heeft, des te groter de zwaartekracht is aan het oppervlak. Daardoor kunnen uitstulpingen en bergen inzakken door hun eigen gewicht. Een grotere planeet heeft dus lagere bergen. Bij planetoïden is deze kracht meestal veel te gering om invloed te hebben.
De grootte van een planetoïde is als het lichtweerkaatsend vermogen, de albedo bekend is uit de gemiddelde helderheid ervan te berekenen, maar dat loopt bij planetoïden enorm uiteen: er zijn "zwarte" planetoïden (minder dan 5% weerkaatsing) maar ook heel heldere (50% of meer). Schattingen van de afmetingen van planetoïden zijn daardoor vaak nogal onzeker. Voor een beperkt aantal heeft men de middellijn direct kunnen meten, bijvoorbeeld door middel van een sterbedekking.
Er zijn bovendien voorbij de baan van Neptunus vele tientallen objecten met een middellijn van meer dan 250 km. Van de meeste daarvan is de grootte (en de vorm) alleen bij benadering bekend. Van de grootste objecten, zoals Eris met een middellijn van minimaal 2300 km, is aangetoond dat ze voldoende groot zijn om een evenwichtsvorm (een eventueel afgeplatte bolvorm) te hebben bereikt. Eris is dus een dwergplaneet. Objecten waarvan dat nog onzeker is, zoals Orcus, blijven vooralsnog bekendstaan als planetoïde.
Het aantal planetoïden neemt sterk af naarmate ze groter worden. Hoewel dit over het algemeen volgens een machtsfunctie verloopt, zijn er 'hobbels' bij 5 km en 100 km, waar meer planetoïden worden aangetroffen dan volgens een logaritmische verdeling kan worden verwacht.
| nummer en naam | ontdekker | ontdekkingsjaar | middellijn (km) |
|---|---|---|---|
| (2) Pallas | Olbers | 1802 | 583 |
| (4) Vesta | Olbers | 1807 | 550 |
| (10) Hygiea | De Gasparis | 1849 | 450 |
| (31) Euphrosyne | Ferguson | 1854 | 370 |
| (704) Interamnia | Cerulli | 1910 | 350 |
| (511) Davida | Dugan | 1903 | 323 |
| (65) Cybele | Tempel | 1861 | 309 |
| (52) Europa | Goldschmidt | 1858 | 289 |
| (451) Patientia | Charlois | 1899 | 276 |
| (15) Eunomia | De Gasparis | 1851 | 272 |
| (3) Juno | Harding | 1804 | 267 |
| (16) Psyche | De Gasparis | 1852 | 250 |
| D | 100 m | 300 m | 500 m | 1 km | 3 km | 5 km | 10 km | 30 km | 50 km | 100 km | 200 km | 300 km | 500 km | 900 km |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| N | ~25.000.000 | 4.000.000 | 2.000.000 | 750.000 | 200.000 | 90.000 | 10.000 | 1.100 | 600 | 200 | 30 | 5 | 3 | 1 |
Het is niet gemakkelijk de massa van een planetoïde te meten. Het is hiervoor nodig dat een ander object, een andere planetoïde, een ruimtesonde of een maantje zich vrij dicht langs de planetoïde beweegt, zodat men de verstoring van de baan kan meten. Sinds 1993 is gebleken dat honderden planetoïden een maantje hebben, waardoor het aantal massabepalingen sterk is toegenomen. De dichtheid blijkt in veel gevallen gering te zijn, vaak niet meer dan 2000 kg/m³. Dat wijst erop dat planetoïden eerder hopen gruis dan massieve lichamen zijn. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de relatief frequente onderlinge botsingen in de planetoïdengordel. Een hoop gruis zal bovendien niet zo snel in talloze fragmenten uiteenbarsten als het door een tamelijk groot object wordt getroffen. Dit zal dan eerder leiden tot een herschikking van de gruishoop.
Net als bij meteorieten, waar onderscheid kan worden gemaakt tussen steen- en ijzermeteorieten, verschilt de samenstelling van planetoïden. Dit volgt vooral uit het onderzoek van albedo en spektraalklasse. Het overgrote deel (75%) is koolstofhoudend. Een kleiner deel (17%) bevat silicaten met ijzer en nikkel. Er zijn ook combinaties van beide soorten. Het idee is ontstaan uit sommige planetoïden erts te winnen.
Een deel van de kleinere planetoïden bestaat waarschijnlijk uit aan elkaar geklonterde veel kleinere deeltjes. Dit worden puinhopen of rubble piles genoemd.
Aangezien planetoïden om hun eigen as draaien, kan de lichtweerkaatsing van de planetoïde veranderen tijdens de asomwenteling. Uit zulke periodieke helderheidswisselingen is voor veel planetoïden de omwentelingstijd bepaald. Die ligt meestal tussen drie uur en één dag, uitersten zijn 2000 WH10 met 80 seconden en 1997 AE12 met 68 dagen. Uit de lichtkromme van een planetoïde kan een driedimensionaal model ervan worden afgeleid.
In 1993 is ontdekt dat ook planetoïden maantjes kunnen hebben. De eerste was Dactyl bij de planetoïde Ida. In 2025 waren er 584 van zulke maantjes bekend.

Planetoïden worden in groepen, ook wel planetoïdenfamilies genoemd, verdeeld op basis van hun gemiddelde afstand tot de Zon, halve lange baanas, symbool a. Dit is equivalent met een indeling naar hun omlooptijd T rond de Zon. De grenzen tussen de groepen worden gelegd bij omlooptijden die een eenvoudige verhouding hebben met die van planeten. In enkele gevallen is ook de kortste afstand tot de Zon, de periheliumafstand q, een indelingscriterium. Zo ontstaat de volgende indeling:
| naam van de groep | voorbeeld | gemiddelde afstand tot de Zon a in AE |
omlooptijd (T, in jaar) |
opmerkingen | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| aardscheerders (AAA's, Aten-Apollo-Amors) | Atens | Aten | a < 1 AE | T < 1 jaar | |||
| aardtrojanen en Cruithne's | Cruithne | a = 1 AE | T = 1 jaar | TAarde = 1 jaar | |||
| Apollo's | Apollo | 1 < a < 1,52 AE | q < 1 AE | 1 < T < 1,88 jaar | |||
| Amors | Dionysus | 1 < q < 1,3 AE | |||||
| MTA's = Mars Trojanen | Eureka | a = 1,52 AE | T = 1,88 jaar | TMars = 1,88 jaar | |||
| MC's = Mars Crossers | Atami | a >~ 1,52 AE | 1,3 < q < 1,52 AE | T >~ 1,88 jaar | kruisen de baan van Mars | ||
planetoïdengordel (MB = Main Belt) (door Kirkwood scheidingen onderverdeeld in zones; verder onderverdeeld in planetoïdenfamilies) |
Hungaria-familie | Hungaria | 1,52 < a < 5,20 AE | a ~ 1,9 | 1,88 < T < 11,86 jaar | T ~ 2,6 | |
| Flora-familie en MB I | Vesta | a = 2,064...2,501 | T = 2,97...3,95 | 1/4...1/3 TJupiter | |||
| MB IIa | Juno | a = 2,501...2,705 | T = 3,95...4,45 | 1/3...3/8 TJupiter | |||
| MB IIb | Ceres | a = 2,705...2,824 | T = 4,45...4,74 | 3/8...2/5 TJupiter | |||
| MB IIIa | Psyche | a = 2,824...2,957 | T = 4,74...5,08 | 2/5...3/7 TJupiter | |||
| MB IIIb | Themis | a = 2,957...3,277 | T = 5,08...5,93 | 3/7...1/2 TJupiter | |||
| Cybele-familie | Cybele | a = 3,277...3,700 | T = 5,93...7,12 | 1/2...3/5 TJupiter | |||
| Hilda-familie | Hilda | a = 3,700...3,969 | T = 7,12...7,91 | 3/5...2/3 TJupiter | |||
| JTA's = Jupiter trojanen | Hektor | a = 5,20 AE | T = 11,86 jaar | TJupiter = 11,86 jaar | |||
| Centaurs | Chiron | a = 5,20...30,1 AE | T = 11,86...164,8 jaar | ||||
| NTA's = Neptunus Trojanen | 2005 TN74 | a = 30,1 AE | T = 164,8 jaar | TNeptunus = 164,8 jaar | |||
| Kuipergordel = TNO's (Transneptunisch object) | Pluto, plutino's | Orcus | a > 30,1 AE | 39 < a < 40 | T > 164,8 jaar | T ~ 248 jaar | baanresonantie (3:2) met Neptunus: T = 3/2 TNeptunus |
| cubewano's (QB1's) | Quaoar | 41 < a < 48 | T ~ 260...330 jaar | T ~ 1,6...2 TNeptunus | |||
| SDO's (Scattered disk objects) | Eris | a > 48 | T > 330 jaar | T > 2 TNeptunus; zeer excentrische banen | |||
Een planetoïde met dezelfde omlooptijd rond de Zon als een planeet wordt quasisatelliet genoemd.
Planetoïden volgen verschillende omloopbanen en worden ook op basis daarvan onderverdeeld.
Een overzicht van de huidige posities van de planetoïden binnen het zonnestelsel is te vinden op de website van het Minor Planet Center. Deze wordt iedere dag bijgewerkt. Er is een beeld en een animatie voor het binnenste en het buitenste zonnestelsel.

De eerste planetoïden werden ontdekt tijdens een zoektocht naar een veronderstelde onbekende planeet tussen Mars en Jupiter. De banen van de nu bekende planetoïden liggen voor 98% in de planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter. De eerst ontdekte planetoïde, dwergplaneet Ceres, is nu nog steeds het grootst bekende hemellichaam (942 km) in deze gordel. Het totale aantal wordt geschat tussen de 1,1 en 1,9 miljoen met een grootte van meer dan 1 kilometer in doorsnee en miljoenen kleinere. Deze planetoïden tussen Mars en Jupiter bevinden zich in een stabiele baan en er is weinig kans dat een ervan ooit de Aarde zal raken.

In de Kuipergordel bevinden zich enorme hoeveelheden materie. De Kuipergordel is een gordel van vele miljarden komeetachtige, uit rots en ijs bestaande objecten, voorbij de baan van de achtste planeet van het zonnestelsel, Neptunus. De gordel bevindt zich tussen de 30 AE en 50 AE afstand van de Zon. Als deze objecten de Zon naderen, gedragen ze zich als een komeet. Het zijn dus feitelijk dezelfde objecten, vandaar de nieuwe officiële naam 'klein zonnestelsellichaam'.
De grote "Kuipergordel-objecten" worden ook wel aangeduid met de naam plutino's. De grootste van deze objecten die tot nog toe zijn ontdekt, zijn Eris, die waarschijnlijk groter is dan Pluto, en Quaoar, ontdekt in 2002, met een doorsnede van 1280 km, groter dan Ceres en de maan Charon.
De planetoïden in de Kuipergordel, ook wel Transneptunische objecten of KBO's genoemd, Kuiper belt objects, zijn veel minder onderhevig aan de zwaartekracht van de Zon, aangezien deze zwaartekracht met het kwadraat van de afstand afneemt. Hierdoor kan door inwerking van zwaartekracht van andere hemellichamen of door botsen met andere planetoïden hun baan makkelijk verstoord worden, waardoor deze planetoïden de ruimte ingeslingerd worden of richting Zon afwijken. Door de grote massa en dus ook de grote zwaartekracht van Jupiter worden vele planetoïden door deze planeet opgevangen.
Op een afstand tussen ongeveer 10.000 en 100.000 AE rond de Zon (0,1–2 lichtjaar) zou zich een bolvormig gebied bevinden vanwaaruit kometen het zonnestelsel binnendringen. Dat gebied wordt de Oortwolk genoemd. Het is mogelijk dat enkele planetoïden, zoals Sedna en (87269) 2000 OO67, die een zeer elliptische baan hebben met een grootste afstand tot de Zon van ongeveer 1000 AE, uit dat gebied afkomstig zijn.
De planetoïden worden ook ingedeeld volgens hun albedo (lichtweerkaatsing) en volgens hun spectrum (kleur). Gemiddeld zijn planetoïden in banen dicht bij de Zon lichter dan planetoïden verder weg. De belangrijkste klassen zijn de C-, S-, M-, E- en R-klasse. Planetoïden die buiten het schema vallen, worden ingedeeld in de U klasse ('Unclassified').
| donker of licht | % weer- kaatst licht |
kleur: blauw- achtig |
kleur: grijs | kleur: rood- achtig |
kleur: rood | kleur: zeer rood | waar voorkomend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| donker | 3 tot 7% | C | F | P | D | klassen D, C en P: vooral in buitenste deel planetoïdengordel (>3,5 AE) | |
| gemiddeld | 7 tot 23% | – | M | S | – | klassen C, S, F en M: in middendeel van de planetoïdengordel (2,5–3,5 AE) | |
| helder | 23 tot 60% | – | E | R | klassen E, R en S: vooral in binnenste deel planetoïdengordel (<3 AE) | ||
Aanvankelijk kende men alleen de planetoïden van de planetoïdengordel tussen Mars en Jupiter, waar men een planeet verwachtte. Deze planetoïden werden dan ook gezien als de restanten van een vroegere planeet die door een natuurramp uit elkaar gespat was. Deze planeet werd soms Phaeton genoemd. De totale massa van de planetoïden is echter slechts voldoende voor een lichaam met een diameter van de helft van die van de Maan. Later vond men planetoïden die dicht langs de Aarde kwamen, zodat het idee ontstond dat ze ontstaan waren door een inslag op de Maan.
Volgens de huidige inzichten bestaan de meeste planetoïden uit materiaal (planetesimalen) dat sinds de vorming van het zonnestelsel niet heeft bijgedragen tot de vorming van een planeet vanwege de storende invloed van de aantrekkingskracht van de andere planeten. Andere planetoïden kunnen ingevangen zijn tijdens het passeren van het zonnestelsel. Door bepaalde kenmerken van planetoïden, zoals het vlak waarin hun baan zich bevindt, denkt men te kunnen vaststellen of een planetoïde oorspronkelijk van het zonnestelsel is, of ingevangen is uit een ander zonnestelsel.


De wet van Titius-Bode uit 1766 was de aanleiding om op zoek te gaan naar een planeet tussen Mars en Jupiter. Het is een wiskundige formule opgesteld aan de hand van de waargenomen plaatsen van de planeten zonder wetenschappelijk basis. Op basis van deze aanname zette Franz Xaver von Zach in 1800 een van de eerste internationale wetenschappelijke onderzoeksprogramma's op touw, dat bekend is geworden onder de naam Himmelspolizey. Men zocht naar een kleine planeet, anders was die planeet reeds lang ontdekt. Men ontdekte echter niet één planeet tussen Mars en Jupiter, maar verschillende planetoïden.
Het ging daarna snel:
Tegenwoordig is de zoektocht naar planetoïden weer actueel door het gevaar van planetoïden die met de Aarde zouden kunnen botsen. LINEAR, NEAT, Spacewatch en andere zoekprojecten houden zich continu bezig met het volgen en catalogiseren van de planetoïden. Het aantal geobserveerde planetoïden per observator wordt bijgehouden: zie externe link "Ontdekkers van planetoïden". Meer dan de helft, 47.899 van de 90.154 (22 nov. 2004) zijn gevonden door het LINEAR-project. Iedereen mag meewerken aan het zoeken naar nieuwe planetoïden, mits hij over de nodige apparatuur beschikt en de opgelegde regels volgt. Een nieuwe observatie moet minimum twee nachten gedurende 30 minuten gebeuren.
Volgens de maandelijks bijgewerkte gegevens van het Minor Planet Center van de IAU (zie externe links) was de stand van zaken op 25 januari 2005 als volgt :
Het aantal planetoïden in het zonnestelsel is niet constant:
Sommige planetoïden komen sterk in de aandacht omdat ze dicht langs de Aarde voorbijkomen, of verbranden in de atmosfeer. De vrees voor een catastrofe door het botsen van een grote planetoïde met de Aarde houdt de aandacht gericht op de planetoïden. De aandacht voor het risico op inslagen is vooral te danken aan het werk van Eugene Shoemaker, die in 1960 aantoonde dat inslagen van meteorieten een grote rol hebben gespeeld bij de vorming van kraters op de Aarde, de Maan en andere planeten, oa door een studie van de Barringerkrater.
30 juni is uitgeroepen tot Internationale Dag van de Planetoïde om het publiek bewust te maken van het gevaar van planetoïden.
Het massaal uitsterven van diersoorten 65 miljoen jaar geleden wordt toegeschreven aan de inslag van een middelgrote planetoïde. Vooral de ex-astronaut Rusty Schweickart heeft aangedrongen op een VN-commissie die de dreiging van planetoïden onder de loep moet nemen en tot eventuele maatregelen moet besluiten, zoals het sturen van een ruimtemissie om de planetoïde uit zijn baan te brengen.
In oktober 2008 werd vanuit de Verenigde Staten voor het eerst een vermoedelijke "inslag" van een slechts kort tevoren ontdekte, de Aarde naderende kleine planetoïde gemeld. Het betrof het object genaamd 2008 TC3, vermoedelijk met de omvang van niet meer dan een personenauto, die boven noordelijk Soedan in de atmosfeer zou exploderen met een kinetische energie-equivalent van 1.000 of 2.000 ton TNT. De melding had betrekking op een planetoïde die de voorgaande nacht ontdekt was door Richard Kowalski en anderen op een observatorium in Arizona. Peter Brown, een meteoor-onderzoeker aan de Universiteit van West Ontario in Canada, meldde dat de explosie geregistreerd was door een ultrageluid-sensor van het International Monitoring System dat dient voor de detectie van kernwapenexlosies. Op beelden van de ESA-weersatelliet zou de gebeurtenis ook waargenomen zijn. Zdenek Charvat van het Tsjechisch Hydrometeorologisch Instituut ontdekte als eerste de flits op de Meteosat-opnamen.
De kans op en de gevolgen van een inslag van een planetoïde worden bepaald door het aantal planetoïden met een baan die in de buurt van de aardbaan komt, de snelheid van de planetoïden en hun massa (dus hun kinetische energie), hun samenstelling (makkelijker of minder makkelijk verbrandbaar tijdens hun tocht in de atmosfeer) en hun grootte (al of niet volledig verbrand tijdens hun tocht door de atmosfeer). Het risico (inslagkans maal mogelijke gevolgen) van een mogelijke inslag wordt uitgedrukt in de schaal van Torino en in de Palermo Technical Impact Hazard Scale. Een zware inslag kan niet alleen grote plaatselijke schade veroorzaken, maar zelfs het milieu totaal veranderen, bijvoorbeeld door grootschalige bosbranden en effecten door de enorme stofuitstoot in de atmosfeer. Dit laatste kan een inslagwinter tot gevolg hebben.
De eerste bescherming is natuurlijk het gevaar op voorhand onderkennen. Daarom wordt een inventaris gemaakt van zo veel mogelijk planetoïden met systemen zoals het Asteroid Terrestrial-impact Last Alert System. Er is een lijst van planetoïden die het grootste gevaar voor een inslag opleveren. Veel planetoïden kaatsen echter te weinig licht terug en worden zeer laat of niet ontdekt.
Eind december 2007 werd uitgekeken naar een mogelijke inslag van een planetoïde, 2007 WD5, op Mars. De planetoïde werd pas in november 2007 ontdekt en zou mogelijk op 30 januari 2008 inslaan op Mars. Het zou de eerste inslag van een planetoïde zijn op een planeet die waargenomen wordt, aangezien tot nu toe alleen een inslag van een komeet is waargenomen; tussen 16 en 22 juli 1994 werd de inslag van restanten van Shoemaker-Levy 9 op Jupiter waargenomen. Op 11 januari 2008 berichtte NASA echter dat er geen inslag zou plaatsvinden.