| Regenbaankorst | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||
| Bellicidia incompta (Borrer) Kistenich, Timdal, Bendiksby & S. Ekman (2018) | ||||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||||
|
Bacidia incompta | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Regenbaankorst (Bellicidia incompta) is een korstmos uit de familie Ramalinaceae. De soort groeit voornamelijk op de schors van oude loofbomen, vooral op plaatsen waar regenwater langs de stam naar beneden stroomt. Het korstmos leeft in symbiose met een chlorococcoïde groenalg.
Regenbaankorst is een korstvormig korstmos met een dofgroen, grijsgroen, witachtig of vaalbruin thallus. Het oppervlak is fijnkorrelig tot wrattig en kan onder vochtige omstandigheden groen en enigszins schubachtig worden. De soort vormt soms uitgebreide, onregelmatige, donkergroene tot grijsgroene banen op boomstammen.
De apotheciën zijn doorgaans 0,3–0,8 mm in diameter, soms tot ongeveer 1 mm. Ze zijn donkerpaarsbruin tot zwart, aanvankelijk vlak en later soms enigszins bol. De rand is dun en gewoonlijk iets lichter dan de schijf. Ook kunnen kleine, grotendeels ingezonken zwarte pycnidiën aanwezig zijn.
De soort heeft de volgende microscopische kenmerken:
Een belangrijk determinatiekenmerk is de donkere roodbruine pigmentatie van zowel het hypothecium als het excipulum. In de Nederlandse determinatiesleutel voor boombewonende knoopjeskorsten onderscheidt regenbaankorst zich hiermee van verwante soorten waarbij deze structuren ten minste gedeeltelijk kleurloos zijn.
Het thallus vertoont doorgaans geen kleurreactie met de gebruikelijke korstmosreagentia: K−, C−, KC− en P−. Ook onder UV-licht is het thallus UV−. Er zijn geen kenmerkende korstmosstoffen aangetoond.
Het donker roodbruine pigment in het excipulum en hypothecium reageert daarentegen met kaliumhydroxide (KOH) en verkleurt paars (K+ paars). Het hymenium reageert met jodium blauw (I+ blauw).
Regenbaankorst groeit voornamelijk op de schors en soms op het blootliggende hout van oude loofbomen met een relatief basenrijke schors. Kenmerkend zijn zogenaamde regenbanen: verticale stroken op boomstammen waarlangs regenwater regelmatig naar beneden stroomt. Deze ontstaan onder meer bij wonden en beschadigingen van de schors. De vochtigheid en chemische samenstelling van deze stroken wijken af van die van de omringende schors.
In Nederland is de soort onder andere aangetroffen op oude populieren in de Hollandse duinen. In andere Europese landen groeit hij ook op onder meer iep, beuk, es, esdoorn en paardenkastanje. De soort komt vooral voor op oude bomen in bossen, parken en langs wegen.
Hoewel geschikte regenbanen op oude bomen regelmatig aanwezig zijn, is regenbaankorst hierin slechts zelden te vinden. In de duinen kan hij onder vergelijkbare omstandigheden voorkomen als parasietkorst (Normandina acroglypta).
Regenbaankorst heeft een overwegend gematigde verspreiding in Europa en komt ook elders in Eurazië voor. De soort is onder andere bekend uit Groot-Brittannië en verschillende delen van het Europese vasteland.
In Nederland is regenbaankorst zeer zeldzaam. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst voor korstmossen in de categorie 'bedreigd'.
De soort werd lange tijd als verdwenen uit Nederland beschouwd, maar is later op verschillende plaatsen teruggevonden. In 2023 beschreven Molenaar, Van der Kolk en Van den Boom nieuwe vondsten op enkele oude bomen in de Hollandse duinen.
In mei 2025 werd in het tijdschrift Holland's Duinen melding gemaakt van de ontdekking van regenbaankorst in het duingebied Meijendel, tijdens een mossen- en korstmossenexcursie. Volgens deze publicatie vormde de vindplaats de vierde op dat moment nog bestaande populatie in Nederland. De soort werd aangetroffen in regenbanen van oude populieren. Ondanks de aanwezigheid van veel vergelijkbare geschikte groeiplaatsen bleek regenbaankorst daar bijzonder schaars.
De soort werd in 1834 door de Britse botanicus William Borrer oorspronkelijk beschreven onder de naam Lecidea incompta. In 1860 plaatste de Italiaanse lichenoloog Martino Anzi de soort in het geslacht Bacidia, waardoor de combinatie Bacidia incompta ontstond.
Op basis van moleculair fylogenetisch onderzoek aan de familie Ramalinaceae werd de soort in 2018 door Sonja Daniela Kistenich, Einar Timdal, Mika Bendiksby en Stefan Ekman overgebracht naar het nieuw beschreven geslacht Bellicidia. Het onderzoek toonde aan dat de soort een afzonderlijke evolutionaire afstammingslijn vertegenwoordigt, die niet binnen de nauwer omschreven groep van Bacidia past. Bellicidia incompta is de typesoort van dit geslacht.
Tot de taxonomische synoniemen behoren: