Bepoederde rupsendoder

Bepoederde rupsendoder
Bepoederde rupsendoder op poppen van de kardinaalsmutsstippelmot
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi
Stam:Ascomycota (Zakjeszwammen)
Klasse:Sordariomycetes
Onderklasse:Hypocreomycetidae
Orde:Hypocreales
Familie:Cordycipitaceae
Geslacht:Cordyceps
Soort
Cordyceps farinosa
(Holmsk.) Kepler, B. Shrestha & Spatafora (2017)
Synoniemen

Isaria farinosa
Paecilomyces farinosus
Ramaria farinosa

Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De bepoederde rupsendoder (Cordyceps farinosa) is een entomopathogene schimmel uit de familie Cordycipitaceae. De schimmel parasiteert op insecten en wordt vooral aangetroffen op rupsen en poppen van vlinders. Onderzoek aan natuurlijke populaties van vlinders bevestigt dat C. farinosa als ziekteverwekker bij verschillende vlindersoorten kan optreden.

Taxonomie

De soort werd in 1781 door Theodor Holmskjold beschreven als Ramaria farinosa. Elias Magnus Fries plaatste hem in 1832 als Isaria farinosa in het geslacht Isaria. Later werd de naam Paecilomyces farinosus gebruikt. In oudere Nederlandse literatuur en in de NDFF Verspreidingsatlas wordt de soort nog als Isaria farinosa vermeld.

Op basis van fylogenetisch onderzoek aan de Cordycipitaceae brachten Kepler, Shrestha en Spatafora de soort in 2017 over naar het geslacht Cordyceps, onder de naam Cordyceps farinosa. Deze naam wordt onder meer door Index Fungorum als geaccepteerde naam beschouwd.

Kenmerken

De zichtbare structuren van de bepoederde rupsendoder zijn voornamelijk het ongeslachtelijke stadium van de schimmel. Uit het geïnfecteerde insect groeien gewoonlijk meerdere rechtopstaande bundels van conidiëndragers, zogenaamde synnemata. Deze zijn wit tot geelachtig en meestal ongeveer 5–12 mm lang, maar kunnen een lengte van circa 30 mm bereiken. Het bovenste deel is cilindrisch tot knotsvormig en krijgt door de grote hoeveelheid conidiën een opvallend wit en poederachtig uiterlijk. De synnemata kunnen soms vertakt zijn.

Microscopische kenmerken

De conidiën op geïnfecteerde insecten zijn ongeveer 3–3,5 × 2 µm groot. Ze zijn ellipsoïde tot spoelvormig-ellipsoïde, hyalien, dunwandig, glad en zonder tussenschotten. De conidiogene cellen staan in compacte groepen en hebben een opgezwollen basis die overgaat in een smalle hals.

In kweek zijn de conidiën doorgaans ongeveer 2–3,5 × 1–2 µm groot en ellipsoïde tot spoelvormig, soms enigszins citroenvormig. De conidiëndragers zijn vertakt en dragen kransen van conidiogene cellen. Een met zekerheid aan deze soort gekoppeld geslachtelijk stadium is niet bekend.

Ecologie

De bepoederde rupsendoder is een insectenparasiet. Na infectie wordt het lichaam van de gastheer door de schimmel gekoloniseerd en verschijnen op het dode insect de poederige synnemata waarop de conidiën worden gevormd. De soort wordt vooral gevonden op rupsen en poppen van vlinders. In een onderzoek naar schimmelinfecties bij vijf vlindersoorten werd C. farinosa bij drie soorten aangetroffen; in totaal werden 43 geïnfecteerde poppen gevonden. Daarbij werden geen aanwijzingen gevonden dat de schimmel sterk gespecialiseerd was op één van deze gastheersoorten.

De NDFF Verspreidingsatlas deelt de soort in als een biotrofe parasiet en noemt rupsen en vlinderpoppen als voornaamste substraat. Als belangrijkste Nederlandse habitat worden loofbossen genoemd. De schimmel kan ook uit bodem worden geïsoleerd; entomopathogene schimmels zoals C. farinosa kunnen buiten een zichtbare gastheer in de bodem aanwezig zijn.

Verspreiding

De bepoederde rupsendoder heeft een ruime verspreiding en is ook buiten Nederland uit veel gebieden bekend. Op de Britse eilanden wordt de soort als wijdverbreid beschouwd.

In Nederland is de bepoederde rupsendoder algemeen. De zeldzaamheidsklasse in de NDFF Verspreidingsatlas is gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023. Op de Nederlandse Rode Lijst heeft de soort de status 'Thans niet bedreigd' (TNB).