| Bernard Sollewijn | ||
|---|---|---|
| Algemene informatie | ||
| Geboortedatum | 13 januari 1785 | |
| Geboorteplaats | Sint-Niklaas | |
| Overlijdensdatum | 20 februari 1864 | |
| Werk | ||
| Beroep | militair, officier | |
| Diversen | ||
| Prijzen en onderscheidingen | Ridder 3e klasse van de Militaire Willems-Orde (22 november 1828), Javamedaille, Medaille van den Oorlog op Java 1825-1830 | |
Bernard Sollewijn (Sint-Niklaas, 13 januari 1785 – Breda, 20 februari 1864) was een militair in Franse en Nederlandse dienst. Als officier van het Nederlands-Indische leger nam hij deel aan expedities op Celebes en Borneo en aan de Java-oorlog (1825–1830), waarin hij een mobiele colonne van de Nederlandse koloniale strijdmacht commandeerde. Hij bereikte de rang van kolonel en was ridder der derde klasse in de Militaire Willems-Orde.

Sollewijn trad op 1 januari 1802 als zeventienjarige vrijwilliger toe tot het Franse 110e regiment infanterie van linie. In 1803 werd hij korporaal en kwam hij in het kamp van Boulogne terecht. Een jaar later diende hij als instructeur bij het 112e regiment. Tijdens de Slag bij Austerlitz in 1805 raakte hij gewond aan zijn rechterbeen. In 1809 werd hij opnieuw gewond, bij Raab, waarna hij deelnam aan de Slag bij Wagram.
In 1810 werd Sollewijn sergeant. Het volgende jaar trad hij als grenadier toe tot het tweede regiment van de Keizerlijke Garde en nam hij deel aan de veldtocht naar Rusland, tot in Moskou. In 1813 volgden bevorderingen tot korporaal, tweede luitenant en eerste luitenant. Hij vocht vervolgens in Saksen en Vlaanderen en raakte bij Breslau opnieuw gewond. Een voorgenomen Franse bevordering tot kapitein ging door de val van Napoleon niet door. Nadat hij in 1814 in Nederlandse dienst was getreden, werd hij op 9 juli 1815 alsnog tot kapitein benoemd.
In maart 1819 vertrok Sollewijn naar Batavia, waar hij op 5 september aankwam. In 1825 werd hij majoor. Hij nam onder generaal-majoor Van Geen deel aan een militaire expeditie op Celebes. Op 10 juni 1825 kreeg hij van gouverneur-generaal Van der Capellen het bevel over een expeditie naar Borneo. Door het uitbreken van de opstand op Java werd deze strijdmacht teruggeroepen; op 12 september kwam Sollewijn met zijn troepen in Semarang aan.

Tijdens de Java-oorlog vocht Sollewijn aan de zijde van het Nederlandse koloniale bestuur en de daarmee verbonden Javaanse vorsten tegen de opstand onder leiding van prins Diponegoro. In november 1825 nam hij deel aan het gevecht bij Bedoyo.
Op 9 augustus 1826 stuitte een door Sollewijn aangevoerde mobiele colonne van 390 Europese, Javaanse en Madurese militairen bij Kejiwan op de veel grotere strijdmacht van Diponegoro. De colonne had na ontvangen inlichtingen geen nadere verkenning verricht en werd omsingeld en verslagen. Volgens de Nederlandse rapportage sneuvelden 150 manschappen en gingen zeven stukken geschut verloren.
Op 28 augustus verdedigde Sollewijn met ongeveer vijfhonderd infanteristen en piekeniers, naast een contingent uit Surakarta, de plaats Delanggu tegen een aanval van Diponegoro. Kort na het begin van de strijd werd hij in het rechteroog getroffen. Het bevel ging over op kapitein Van Geen, die de overgebleven troepen liet uitbreken; Delanggu kwam daarna in handen van Diponegoro.
In 1827 werd Sollewijn luitenant-kolonel, plaatselijk commandant van Weltevreden en lid van het Hoog Militair Gerechtshof. Op aandringen van commissaris-generaal Du Bus de Gisignies keerde hij nog datzelfde jaar terug naar het oorlogsgebied als commandant van de eerste mobiele colonne. Bij een operatie in het dorp Semin op 18 april 1828 brandden troepen onder zijn bevel het dorp af; twee Javaanse aanvoerders en twintig van hun volgelingen gaven zich over.
Op 17 september 1829 nam een door Sollewijn geleide colonne deel aan de aanval bij Siluk. Drie Nederlandse colonnes probeerden daar de resterende strijdmacht van Diponegoro te omsingelen. De opstandelingen werden uiteengeslagen, maar Diponegoro wist te ontkomen. In juni 1830 was Sollewijn samen met resident J.F.W. van Nes betrokken bij de gevangenneming van Pakubuwana VI, de vorst van Surakarta, bij Mancingan. Het koloniale bestuur zette de vorst vervolgens af en verbande hem naar Ambon.
In december 1832 keerde Sollewijn wegens zijn gezondheid terug naar Nederland. In 1833 werd hij titulair kolonel. Van 1841 tot 1846 verbleef hij opnieuw in Nederlands-Indië. Het officiersboekje van 1846 vermeldt 25 februari 1842 als zijn aanstellingsdatum in de effectieve rang van kolonel. Volgens Van der Aa kreeg hij in 1844 pensioen en toestemming om zijn uniform te blijven dragen.
Sollewijn was eerst gehuwd met Alexandrine Desruelles, die in 1826 overleed. Hun dochter Carolina Johanna Theophanie Bernardina Sollewijn (1823–1887) trouwde in 1847 met Pieter Cornelis van Oosterzee (1819–1882), later president van de Factorij van de Nederlandsche Handel-Maatschappij te Batavia. In 1827 hertrouwde Sollewijn met Jacoba Petronella Regter, weduwe van de resident Wenzel. Regters dochter uit haar eerste huwelijk, Clasina Wilhelmina Dibbets (1821–1902), was Sollewijns stiefdochter en trouwde in 1839 met Adriaan Ahlhart Gelpke. Op verzoek van haar echtgenoot en met Sollewijns instemming verleende Pieter Merkus, destijds vicepresident van de Raad van Nederlands-Indië en waarnemend gouverneur-generaal, bij besluit van 26 november 1841, nr. 1, aan hun zoon Johan Herman Frederik Gelpke (1840–1890) toestemming de geslachtsnaam Sollewijn aan die van Gelpke toe te voegen en zich voortaan Johan Herman Frederik Sollewijn Gelpke te noemen. Daarmee bleef de familienaam Sollewijn behouden en ontstond de tak Sollewijn Gelpke van het geslacht Gelpke.
Hij overleed op 20 februari 1864 in Breda. Van der Aa vermeldde later ten onrechte het jaar 1866; de officiële overlijdensakte noemt 1864 en vermeldt Jacoba Petronella Regter als zijn echtgenote.
