| Beurschampignon | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Agaricus gennadii (Chatin & Boud.) P.D. Orton (1960) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Chitonia gennadii | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De beurschampignon (Agaricus gennadii) is een schimmel uit de familie Agaricaceae. De soort behoort binnen het geslacht Agaricus tot de sectie Chitonioides van het ondergeslacht Pseudochitonia. Kenmerkend is de laag aan de steel gelegen, schedevormige ring, die enigszins op de beurs van een Amanita kan lijken.
De hoed is gewoonlijk ongeveer 5–12 cm breed, maar kan bij forse exemplaren groter worden. Hij is aanvankelijk bolvormig tot halfbolvormig en wordt later gewelfd tot vrijwel vlak, soms met een iets ingezonken centrum. De kleur is wit tot vuilwit of grijswit en kan bij oudere exemplaren oker- tot lichtbruin worden. Het oppervlak kan glad tot vezelig-schubbig zijn en vertoont soms onregelmatige okerbruine of bruine velumresten. De rand is bij jonge exemplaren ingerold en kan resten van het velum dragen.
De lamellen staan dicht opeen en zijn vrij van de steel. Ze zijn bij jonge vruchtlichamen bleek tot roze en verkleuren tijdens de rijping via roodbruin naar donkerbruin. De sporee is bruin.
De steel is stevig en vol, cilindrisch tot enigszins spoelvormig en naar de basis vaak versmald. Het opvallendste kenmerk is het velum. Dit vormt laag aan de steel een dikke, schedevormige ring die een deel van de steel als een kraag of beurs omgeeft. Hierdoor kan het vruchtlichaam oppervlakkig op een soort uit het geslacht Amanita lijken. Onder of rond deze ring kan de steel vezelig tot vlokkig-schubbig zijn.
Het vlees is dik, stevig en wit. Bij doorsnijden verkleurt het weinig of plaatselijk zwak roze tot roodachtig. De geur is bij jonge exemplaren zwak en paddenstoelachtig, maar kan bij oudere vruchtlichamen sterker en onaangenaam tot urineachtig worden.
De basidiosporen zijn glad, dikwandig, donkerbruin en meestal subglobose tot breed ellipsoïde. In recent onderzocht materiaal maten ze (6,8–)7,4–8,4(–9,2) × (5,1–)5,5–6,5(–7,1) µm, met een gemiddelde van ongeveer 7,4 × 6,0 µm. De verhouding tussen lengte en breedte (Q) bedraagt meestal 1,11–1,32 en gemiddeld ongeveer 1,18. De sporen hebben een duidelijke apiculus.
De basidia zijn knotsvormig, 25–40 × 6–12(–14) µm groot en overwegend viersporig, soms tweesporig. De cheilocystiden zijn talrijk, breed knotsvormig tot knotsvormig en meten ongeveer 17–25(–40) × 9–11(–13) µm. Pleurocystiden ontbreken. De hoedhuid is een cutis van cilindrische, vertakte hyfen van ongeveer 4–8 µm breed. Gespen ontbreken.
Over de Schäffer-reactie bestaan in de literatuur verschillende waarnemingen. In oudere beschrijvingen wordt deze als negatief gemeld, terwijl recent onderzocht materiaal een positieve reactie liet zien. Daarom wordt deze reactie niet als zelfstandig diagnostisch kenmerk beschouwd.
De beurschampignon is een terrestrische saprotroof die op de bodem groeit. Hij is onder meer aangetroffen in graslanden, parken, tuinen, bermen en andere door de mens beïnvloede terreinen, maar ook in beboste gebieden. Verschillende vondsten zijn gedaan op zandige of kalkhoudende grond en onder bomen zoals cipres (Cupressus), ceder (Cedrus), den (Pinus), Eucalyptus en andere loof- en naaldbomen.
In China is de soort onder meer gevonden op humusrijke bodem in bossen met Populus en in overgangszones tussen oeverbos, vochtige terreinen en verstoorde grond.
Agaricus gennadii is een wijdverspreide maar doorgaans schaarse soort. Hij is bekend uit verschillende delen van Europa, waaronder België, Nederland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Hongarije, Tsjechië, Oekraïne, Rusland en het Verenigd Koninkrijk. Ook is de soort vastgesteld in China. Uit oudere literatuur zijn daarnaast vondsten uit onder meer Noord-Afrika en het Midden-Oosten bekend.
De soort werd oorspronkelijk beschreven van materiaal dat op zandgrond op Cyprus was gevonden.
In Nederland is de beurschampignon zeer zeldzaam. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen in de categorie 'bedreigd'.
De soort werd in 1898 door Chatin en Boudier beschreven als Chitonia gennadii. P.D. Orton plaatste hem in 1960 in het geslacht Agaricus. Deze combinatie, Agaricus gennadii (Chatin & Boud.) P.D. Orton, wordt door Species Fungorum als de huidige naam geaccepteerd.
Tot de gepubliceerde synoniemen behoren onder andere Clarkeinda gennadii, Psalliota gennadii, Chitonia cellaris en Clarkeinda cellaris.
Moleculair onderzoek plaatst A. gennadii in de sectie Chitonioides van het ondergeslacht Pseudochitonia. Binnen deze groep valt de soort op door de schedevormige onderste ring, de relatief brede, bijna ronde sporen en de breed knotsvormige cheilocystiden.