
De plantkunde of botanie is een tak van de biologie die zich bezighoudt met de bestudering van planten, specifiek met hun anatomie, fysiologie, taxonomie en ecologie. Een belangrijk deel van de plantkunde is gericht op het onderzoek naar landplanten, ook wel fytologie genoemd.
De geschiedenis van de plantkunde gaat terug tot de prehistorische kruidengeneeskunde. In vrijwel alle oude beschavingen ontwikkelde zich empirische kennis van geneeskrachtige en nuttige planten. De eerste botanische tuinen werden in de 16e eeuw bij universiteiten opgericht. Een van de vroegste was de Orto botanico di Padova. In deze tuinen kwam de academische bestudering van plantensoorten tot stand. Pogingen om de diversiteit van planten te catalogiseren en beschrijven vormde het begin van de plantentaxonomie en leidden in 1753 tot de binominale nomenclatuur van Carl Linnaeus.
Vanaf de 19e en 20e eeuw werden nieuwe technieken ontwikkeld om de structuur en de functie van planten preciezer te bestuderen. Microscopie, cytogenetica en biochemisch onderzoek naar enzymen en eiwitten onthulden de structuur en werking van plantencellen. Vanaf de jaren 1990 begonnen plantenwetenschappers moleculaire technieken zoals genoomanalyse en genetische technologie te gebruiken om planten nauwkeuriger te classificeren en manipuleren.
De moderne plantkunde is een breed vakgebied. Onderzoeksonderwerpen omvatten de studie van plantenstructuur, groei en differentiatie, reproductie, het primair en secundair metabolisme, ziekten, evolutionaire relaties en systematiek. Plantenonderzoek kent vele toepassingen, zoals de productie van voedsel en materialen (hout, rubber, vezels en medicijnen), maar ook in de moderne tuinbouw, landbouw en bosbouw, plantenveredeling en genetische modificatie. Daarnaast speelt plantkunde een rol in de synthese van chemicaliën en grondstoffen, evenals in milieubeheer en het behoud van biodiversiteit.
De verschillende disciplines van de plantkunde kunnen wel gegroepeerd worden in idiobotanie en geobotanie. De idiobotanie bestudeert onder andere de morfologie, histologie, anatomie, cytologie, de fysiologie en de systematiek van organismen die kunnen worden aangeduid als planten. De plantengeografie, vegetatiekunde en planten(o)ecologie worden gerekend tot de geobotanie en bestuderen de planten in hun onderlinge relaties en hun relaties met hun milieu.
Geobotanie is een al wat oudere term voor studie van planten in hun natuurlijke omgeving en in onderlinge relaties. Het omvat:
Idiobotanie is de slechts weinig gebruikte term voor het deel van de plantkunde dat de studie van de planten als individu betreft, dat wil zeggen de planten op zich en het onderzoek betreft aan de eigenschappen van planten onder gecontroleerde omstandigheden (zoals bij laboratoriumonderzoek, op proefvelden). Hieronder vallen:
Bijzondere plantkunde is het onderzoek aan specifieke groepen:
Daarnaast kan nog als onderdeel van de botanie worden beschouwd fytopathologie of plantenziektekunde, de studie van de interactie tussen planten en plantpathogenen.
De term "planten" komt niet noodzakelijk overeen met wat (vroeger) werd aangeduid met de naam Plantae. Traditioneel behoorden hiertoe alle wat niet bij de dieren werd ondergebracht, zoals de fotoautotrofe organismen en de schimmels. De hoofdindeling in cryptogamen en fanerogamen was gebaseerd op de voortplanting door sporen of door zaden.
| Historische namen van verschillende groepen in het "Plantenrijk" | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Thallophyta, lagere planten Arrhizophyta |
Cryptogamae sporenplanten |
Prokaryoten, Protophytae, Schizophyta, Monera |
Bacteria | ||
| Algen s.l. | Cyanophyta | ||||
| thallofyten zonder archegonia |
Algae s.s. | ||||
| Fungi s.s. | Fungi, schimmels | ||||
| Lichenes | |||||
| Cormophyta Embryophyta Plantae s.s. |
Archegoniatae | Bryophyta s.l. Astelocormophyta |
Hepaticae, Marchantiophyta | ||
| Musci, Bryophyta s.s. | |||||
| Anthocerotae, Anthocerotophyta | |||||
| Tracheophyta vaatplanten hogere planten Rhizophyta Stelocormophyta |
Vaatcryptogamen Pterophyta, Filices |
Lycophyta Lycopodiopsida | |||
| Monilophyta, Pteridophyta s.s. | |||||
| Phanerogamae, fanerogamen |
Spermatofyta Lignophyta |
Gymnospermae | |||
| Angiospermae Anthophyta |
Monocotyledonae | ||||
| Dicotyledonae | |||||
Tot de bijzondere plantkunde horen vakgebieden als:

Theophrastus van Eresus (ongeveer 371 – 287 v.Chr.), een leerling van Aristoteles, wordt als een der eerste botanici beschouwd en wordt weleens de "Vader van de plantkunde" genoemd. In de causis plantarum en de historia plantarum beschreef hij 480 groepen planten, die hij indeelde op basis van veelal morfologische kenmerken. Enkele plantengeslachten die beschreven werden door Theophrastus zijn Crataegus, Daucus, Asparagus en Narcissus.
In de vroege middeleeuwen was er al sprake van kloostertuinen. Monniken en abten gingen zich dan ook toeleggen op de studie van planten. In 795 liet Karel de Grote de Capitulare de villis vel curtis imperii uitvaardigen die een beeld gaf van de toenmalige plantenkennis.
Wanneer vanaf het einde van de 15e eeuw wereldreizigers grote delen van de wereld verkenden en de Europese staten volop in expansie waren, was er in Europa een groeiende import van exotische planten. De Vlamingen gaven in de studie van de plantkunde op dat moment de toon aan. Keizer Karel V bracht in 1535 de fluweelbloem (Tagetes patula) mee uit Tunis en in 1537 tulpenbollen uit Cappadocië. In 1597 bereikte ons de mosroos (Rosa ×centifolia 'Muscosa') en komkommerzaad was er vanaf 1598.
Bekende onderzoekers van dat moment waren:
Daarnaast droegen veel particulieren, die de tuin als hun hobby beschouwden, bij tot nieuwe ontwikkelingen. Zij waren vooral van belang voor de import van nieuwe planten waarmee ze hun collectie konden uitbreiden.
Na de val van Antwerpen in 1585 vluchtte een deel van de intellectuele elite uit de Zuidelijke Nederlanden en kwam er een einde aan de vooraanstaande positie van de Vlamingen. De kennis verschoof naar het noorden waar het bloeiende handelsimperium van de Verenigde Provinciën ook een vruchtbare bodem de ontdekking nieuwe planten uit de kolonies. In het noorden werden tuinen een zaak van handelaars, terwijl in het zuiden de adel en heersers de botanische interesses overnamen.
Tegen het midden van de 18e eeuw was de omvang van het botanisch materiaal als gevolg van uitvoerige exploraties enorm opgelopen in de tuinen en herbaria. Dit vroeg om een systematische manier van catalogiseren. Deze classificatie van planten was een taak van de plantensystematici.
Er is een algemene trend in de classificatie van planten waarbij, in de loop der tijd, vroeger vaker een "kunstmatige" indeling op basis van gebruikswaarde of algemene habitus en bouw een rol speelde, via pre-darwinistische 'natuurlijke' indelingen die gebruikmaken van gelijkenis op basis van een of meer eigenschappen van de plant, tot post-darwinistische "natuurlijke" indelingen die eigenschappen gebruiken die (hopelijk) gerelateerd zijn aan de fylogenie.
Literatuur