| Plaats in Nederland | |||
|---|---|---|---|
| Situering | |||
| Provincie | |||
| Gemeente | |||
| Coördinaten | 51° 58′ NB, 4° 54′ OL | ||
| Algemeen | |||
| Inwoners (2025) |
770 | ||
| Overig | |||
| Postcode | 3411 | ||
| Netnummer | 0348 | ||
| Detailkaart | |||
| Locatie in de gemeente Lopik | |||
| Foto's | |||
| |||
Cabauw is een dorp en voormalige gemeente in de gemeente Lopik, in de Nederlandse provincie Utrecht. Het lintdorp langs de Lopikerwetering in de Lopikerwaard is in de 13e eeuw ontstaan in het daarvoor ontgonnen gebied. Cabauw werd eeuwenlang bestuurd als heerlijkheid.
Wat nu Cabauw wordt genoemd, werd in vroegere eeuwen aangeduid als "die wilde Cabbau", waarschijnlijk omdat het gebied overbleef tussen de overige ontginningen. De naam hangt samen met het Middelnederlandse cabeeuwen, 'ruziemaken, twisten'. Het is onbekend waar de twist over ging.
De polder Cabauw was geen cope, maar een zogenaamde restontginning, evenals Blokland. Cabauw werd voor het eerst in een oorkonde uit 1253 genoemd, maar volgens Den Uyl was de ontginning al een eeuw eerder uitgegeven. Oorspronkelijk viel Cabauw onder het bezit van de bisschop van Utrecht. Al in de dertiende eeuw was Cabauw in het bezit van de graaf van Holland gekomen. Herberen van der Lede, heer van Haastrecht, verkocht het leengoed Cabauw aan Nicolaas van Kats sr., heer van Gouda en Schoonhoven. Later kwam de heerlijkheid Cabauw in het bezit van onder anderen Jan van Beaumont en van Jan van Blois. De heerlijkheid verwisselde in de eeuwen erna regelmatig van eigenaar. Den Uyl somt een reeks op die begint bij Jan de Bastaert van Bloys (een onwettige zoon van Jan van Blois) in de veertiende eeuw via onder anderen leden van de families Van Teijlingen, de Nobelaer, Van Wijngaarden, Braet en Brand en die eindigt bij Gabriel Leonard van Oosten Slingeland in de 19e eeuw.
Het dunbevolkte Cabauw, dat rond 1800 nauwelijks honderd zielen telde, werd desondanks bestuurd door een college van twee burgemeesters en vijf schepenen. De baljuw fungeerde tevens als schout en secretaris. Van 1817 tot 1857 was Cabauw een zelfstandige gemeente; daarna werd het samen met Zevender bij Willige Langerak gevoegd. Deze gemeente werd in 1943 samen met Jaarsveld bij Lopik gevoegd.
In 1808 telde Cabauw 98 inwoners. In 2004 waren er 690 inwoners en in 2025 had Cabauw 770 inwoners.
In de 17e eeuw was de heerlijkheid Cabauw in het bezit van de katholieke familie De Nobelaer. Volgens Henk Povée zou dit gegeven het katholieke karakter van de enclave Cabauw verklaren. Cornelis II de Nobelaer woonde aan het Noordeinde in Den Haag. In de zomer verbleef hij regelmatig in zijn buitenverblijf Hofvliet in Cabauw. De familie De Nobelaer was bevriend met de dichter Joost van den Vondel. Na een storm in 1665 schreef Vondel het gedicht 'Op het nederstormen der stene galerije in Hofvliet, de hofstede des heren van Kabau'. Ook droeg Vondel in 1667 een toneelstuk op aan de nieuwe heer van Cabauw.
Een andere ambachtsheer was Jean Brand van Cabauw. Ook hij woonde niet in Cabauw, maar op een buitenplaats in Breukelen. Hij kocht de heerlijke rechten van Cabauw uit de nalatenschap van zijn oom Otto Braet. Jean Brand was behalve rechter ook dichter. In 1813 deed hij mee aan een prijsvraag voor een nieuw volkslied. Er waren twee prijswinnaars: Hendrik Tollens met 'Wien Neêrlands bloed' en Jean Brand van Cabauw met 'Wij leven vrij, wij leven blij'.
Twee gevelstenen in de voorgevel van de boerderij aan de Cabauwsekade 22 herinneren nog aan de heren van Cabauw. Op deze plaats bevond zich de buitenplaats Hofvliet. De bovenste gevelsteen dateert uit 1636 en de onderste steen uit de periode (1752-1757) waarin Cornelis Henricus van Wijngaerden heer van Cabauw was.
Cabauw is een katholieke enclave in de overwegend reformatorische Lopikerwaard. Na de reformatie behoorde de overwegend katholieke bevolking van Cabauw tot de parochie Schoonhoven, waar een schuilkerk stond. In 1680 werd de parochie gesplitst in een gedeelte Schoonhoven en een gedeelte voor de dorpen in de omgeving van Schoonhoven. Voor het laatstgenoemde gedeelte werd al in 1679 een kerk in Cabauw gesticht. Nadat een deel van de parochie in Schoonhoven zich in de achttiende eeuw aansloot bij de Oud-Katholieke Kerk werd de kerk in Cabauw tot 1783 ook door de rooms-katholieken van Schoonhoven bezocht. De stichting van de kerk in Cabauw kon plaatsvinden, omdat de toenmalige ambachtsheer van Cabauw, de katholieke Cornelis de Nobelaer, het uitdrukkelijk toestond dat rooms-katholieken in de heerlijkheid Cabauw hun geloof konden belijden. De kerk werd gewijd aan Jakobus de Meerdere. In 1846 werd deze zogenaamde schuilkerk vervangen door een Waterstaatskerk. Hoewel al snel te klein heeft deze kerk toch nog ruim tachtig jaar dienst gedaan. In 1928 kon de nieuwe Jacobskerk door de toenmalige aartsbisschop van Utrecht worden ingewijd.
Het aantal protestanten in Cabauw was op een hand te tellen. In het begin van de negentiende eeuw woonde er slechts een protestants gezin.
De 213 meter hoge Meetmast Cabauw van het KNMI is in 1972 gebouwd. Daarnaast is Cabauw een typisch polderdorp, met lintbebouwing aan de Lopikerwetering. Ten westen van het dorp bevindt zich De Middelste Molen, een wipmolen uit 1773. Deze bemaalde het gebied van het latere waterschap Lopik, Lopikerkapel en Zevenhoven. De molen is tussen 2019 en 2021 gerestaureerd. Een vijftal boerderijen aan de Cabauwsekade zijn rijksmonumenten, waaronder de in de achttiende eeuw gebouwde boerderij 'Het Leeuwenhuis'.
Literatuur
Referenties