| Lisdoddefranjehoed | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Candolleomyces typhae (Kalchbr.) D. Wächt. & A. Melzer (2020) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De lisdoddefranjehoed (Candolleomyces typhae, synoniem: Psathyrella typhae) is een schimmel uit de familie Psathyrellaceae. De soort leeft saprotroof op afgestorven stengels en bladscheden van moerasplanten, vooral lisdodde (Typha). De vruchtlichamen verschijnen doorgaans vlak boven de waterspiegel.
De hoed heeft een diameter van 5 tot 25 mm. Hij is aanvankelijk halfbolvormig tot gewelfd en spreidt zich later uit tot vrijwel vlak. De kleur varieert van rozeachtig okerbruin tot bleekbruin, met doorgaans een donkerder centrum. De hoed is hygrofaan en verbleekt bij uitdroging tot beige of bleek vleeskleurig. Bij vochtige exemplaren is de rand doorschijnend gestreept. Jonge vruchtlichamen kunnen fijne, witachtige velumvezels of vlokjes dragen.
De lamellen staan betrekkelijk dicht opeen en zijn aanvankelijk licht okerbruin. Later worden ze grijsbruin tot kaneelbruin. Ze blijven voor een franjehoed opvallend licht van kleur.
De steel is 5 tot 35 mm lang en ongeveer 0,5 tot 3 mm dik. Hij is slank, breekbaar, witachtig tot bleekbruin en aan de bovenzijde vaak fijn berijpt. De basis is soms iets verdikt en bedekt met fijne vezels.
De sporen zijn glad, ellipsoïde tot eivormig en lichtgeelbruin. Bij de gewone, viersporige vorm meten ze ongeveer 9–11,5 × 5,5–7 µm. Een duidelijke kiempore ontbreekt.
De basidiën zijn doorgaans viersporig. De cheilocystiden zijn variabel van vorm, waaronder spoelvormig, flesvormig en min of meer cilindrisch. Daartussen bevinden zich kleinere, knotsvormige tot bolvormige cellen. Pleurocystiden ontbreken. Er zijn gespen aanwezig.
Naast de gewone vorm is ook Psathyrella typhae var. bispora beschreven. Deze heeft overwegend tweesporige basidiën en aanzienlijk langere sporen van ongeveer 15,5–20 × 5,5–7 µm. De variëteit is in Nederland zeer zeldzaam en werd onder meer aangetroffen in de Roomburgerpolder bij Leiden.
De lisdoddefranjehoed groeit op afgestorven bladscheden en stengels van grote oeverplanten, vooral van lisdodde (Typha), maar ook op riet (Phragmites australis), gele lis (Iris pseudacorus) en andere moerasplanten. De vruchtlichamen ontwikkelen zich meestal op plantenresten in ondiep water, net boven de waterspiegel.
De soort wordt aangetroffen in rietlanden, laagveenmoerassen, duinplassen, voedselrijke vennen en langs sloten en vijvers. De vruchtlichamen verschijnen vooral in de late lente en zomer.
De lisdoddefranjehoed komt in verschillende delen van Europa voor, waaronder Nederland en Groot-Brittannië.
In Nederland is de soort zeldzaam. Hij staat op de Rode Lijst van paddenstoelen uit 2008 in de categorie 'Kwetsbaar'. De soort is vermoedelijk op meer plaatsen aanwezig dan uit de waarnemingen blijkt, doordat het leefgebied relatief weinig gericht op kleine paddenstoelen wordt onderzocht.
De lisdoddefranjehoed lijkt op enkele andere kleine franjehoeden die op afgestorven moerasplanten groeien.
Vanwege de gelijkenis met andere soorten is microscopisch onderzoek nodig voor een zekere determinatie.
De soort werd in 1863 door Károly Kalchbrenner oorspronkelijk beschreven als Agaricus typhae. In 1948 brachten Arthur Anselm Pearson en Richard William George Dennis de soort onder in het geslacht Psathyrella, als Psathyrella typhae.
Op basis van fylogenetisch onderzoek plaatsten Dieter Wächter en Andreas Melzer de soort in 2020 in het geslacht Candolleomyces. De combinatie Candolleomyces typhae wordt door Index Fungorum en Species Fungorum als de geaccepteerde naam beschouwd.