Grote halminktzwam

Grote halminktzwam
Grote halminktzwam
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Psathyrellaceae
Geslacht:Coprinopsis
Soort
Coprinopsis pseudofriesii
(Pilát & Svrček) Redhead, Vilgalys & Moncalvo (2001)
Grote halminktzwam
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De grote halminktzwam (Coprinopsis pseudofriesii) is een schimmel uit de familie Psathyrellaceae. De soort leeft saprotroof op dood plantaardig materiaal. Hij groeit vooral op hout, in het bijzonder op dode takken en twijgen, maar wordt ook aangetroffen op houtsnippers en op afgestorven delen van kruidachtige planten en grassen.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De jonge hoed is 5–10 mm hoog en 3–8 mm breed en aanvankelijk kegelvormig tot kegelvormig-ellipsoïde, met een afgeronde top. Uitgespreid wordt de hoed tot ongeveer 20 mm breed. Hij is witachtig met een lichtbruin tot okerkleurig centrum. Het velum valt bij het uitspreiden uiteen in okerbruine vlokken of plakjes, die bij het ouder worden verbleken.

Lamellen

De lamellen staan dicht opeen en zijn vrij van de steel. Ze zijn aanvankelijk wit en worden vervolgens grijs tot uiteindelijk zwartachtig.

Steel

De steel wordt tot ongeveer 60 mm lang en 1–2 mm dik. Hij is wit tot grijswit en aan de voet enigszins vlokkig.

Microscopische kenmerken

De sporen meten 6,1–10,2 × 5,0–7,9 µm. Ze zijn breed ellipsoïde, ellipsoïde, eivormig of enigszins ruitvormig en in doorvallend licht middelmatig vuil roodbruin. De top is afgerond. De sporen hebben een centrale kiempore van ongeveer 1,5 µm breed. De Q-waarde bedraagt (1,05–)1,15–1,55, met een gemiddelde Q van ongeveer 1,25–1,40.

De basidia zijn viersporig en meten 18–32 × 9–11 µm. De pleurocystiden meten 60–120 × 10–27 µm en zijn subcilindrisch tot smal utriform. De cheilocystiden meten 30–80 × 7–22 µm en hebben een vergelijkbare vorm.

Een belangrijk determinatiekenmerk is de structuur van het velum. Dit bestaat uit sterk vertakte, diverticulate hyfen van ongeveer 3–8 µm breed. De wanden zijn duidelijk geelachtig en tot ongeveer 1,5 µm dik. De uitsteeksels van de velumhyfen kunnen ongeveer 20 µm lang worden. Gespen zijn aanwezig.

Ecologie

De grote halminktzwam groeit solitair of met enkele vruchtlichamen bijeen. Uljé en Noordeloos vermelden de soort vooral van hout, in het bijzonder van dode takken, maar ook van kruidachtige planten en grassen.

In Drenthe is de soort onder meer aangetroffen in parken en plantsoenen, houtwallen en -singels en vochtige, voedselrijke loofbossen. Als substraat zijn daar houtsnippers, afgestorven stengels, dode takken en twijgen, stro en bladstelen geregistreerd.

Gelijkende soorten

De grote halminktzwam lijkt sterk op de bleke halminktzwam (Coprinopsis friesii). De grote halminktzwam heeft gemiddeld grotere vruchtlichamen en groeit voornamelijk op hout, terwijl de bleke halminktzwam doorgaans op afgestorven grassen groeit. Microscopisch vormt het velum een belangrijk verschil. Bij de grote halminktzwam zijn de wanden van de velumhyfen tot ongeveer 1,5 µm dik, terwijl deze bij de bleke halminktzwam plaatselijk meer dan 2 µm en tot ongeveer 3–4 µm dik kunnen zijn.

Ook de kleinsporige halminktzwam (Coprinopsis phaeospora) kan erop lijken. Deze heeft duidelijk lensvormige sporen met meestal een enigszins tot sterk excentrische kiempore. De sporen van de grote halminktzwam zijn niet duidelijk lensvormig, maar meer ellipsoïde, eivormig of enigszins ruitvormig en hebben een centrale kiempore.

Coprinopsis xantholepis heeft eveneens vergelijkbare sporen, maar onderscheidt zich onder meer door de veel grotere cystiden.

Verspreiding

De grote halminktzwam is wijdverspreid in Europa. In Nederland geldt de soort als zeldzaam. Uljé en Noordeloos vermeldden in 1997 Nederlandse collecties uit onder meer Flevoland, Drenthe, Gelderland, Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Een deel van deze collecties dateert van vóór 1995.

Volgens de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe werd de soort vanaf 1995 in de Nederlandse kartering als zodanig herkend. Oudere waarnemingen van de bleke halminktzwam uit bossen en lanen kunnen deels betrekking hebben op de grote halminktzwam. De meeste in de atlas genoemde Nederlandse vindplaatsen liggen in en rond Amsterdam en in het noordoosten van het land, met verspreide vindplaatsen elders.

Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 heeft de grote halminktzwam de status 'thans niet bedreigd'.

Taxonomie

De soort werd in 1967 door Albert Pilát en Mirko Svrček beschreven als Coprinus pseudofriesii. In 2001 werd de soort door Scott A. Redhead, Rytas J. Vilgalys en Jean-Marc Moncalvo overgebracht naar het geslacht Coprinopsis, waardoor de huidige combinatie Coprinopsis pseudofriesii ontstond.

Foto's