Cyathicula

Cyathicula
Gekroond geleikelkje (Cyathicula coronata)
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Ascomycota (zakjeszwammen)
Klasse:Leotiomycetes
Onderklasse:Leotiomycetidae
Orde:Helotiales
Familie:Helotiaceae
Geslacht
Cyathicula
De Not. (1863)
Typesoort
Cyathicula coronata
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Cyathicula is een geslacht van schimmels uit de familie Helotiaceae. Het behoort tot de orde Helotiales binnen de zakjeszwammen (Ascomycota). De soorten vormen doorgaans kleine, gesteelde, beker- tot schotelvormige vruchtlichamen en leven voornamelijk saprotroof op afgestorven plantendelen.

Het geslacht werd beschreven door de Italiaanse botanicus en mycoloog Giuseppe De Notaris in zijn publicatie Proposte di alcune rettificazioni al profilo dei Discomyceti. Het oorspronkelijke werk wordt gedateerd op 1863, maar in sommige taxonomische bronnen wordt 1864 als publicatiejaar vermeld. De typesoort is Cyathicula coronata, het gekroond geleikelkje.

Kenmerken

Macroscopische kenmerken

De vruchtlichamen zijn doorgaans slechts enkele millimeters groot en hebben de vorm van een beker of schoteltje. Ze zijn meestal kort tot duidelijk gesteeld en kunnen afzonderlijk of in groepjes voorkomen. De kleur varieert afhankelijk van de soort van witachtig en bleekgeel tot okerachtig of bruinachtig.

Bij sommige soorten is de rand van het vruchtlichaam voorzien van kleine tandvormige uitsteeksels, die worden gevormd door verlengde cellen van het buitenste weefsel. Dit is vooral opvallend bij het gekroond geleikelkje (Cyathicula coronata).

Microscopische kenmerken

Het buitenste weefsel van het vruchtlichaam, het excipulum, bestaat bij verschillende soorten uit langgerekte, relatief dunwandige hyfen die ingebed zijn in een gelatineuze matrix. Dit weefsel geeft de vruchtlichamen een enigszins doorschijnend en geleiachtig uiterlijk.

De asci zijn doorgaans cilindrisch tot knotsvormig en bevatten meestal acht ascosporen. De ascosporen zijn doorgaans kleurloos, glad en langwerpig tot spoelvormig. Afhankelijk van de soort zijn ze ongedeeld of voorzien van een of meer dwarswanden.

Tussen de asci bevinden zich draadvormige tot enigszins knotsvormige parafysen. De vorm van de parafysen, de reactie van het apicale apparaat van de asci op jodiumhoudende reagentia en de bouw van het excipulum zijn belangrijke kenmerken bij de taxonomische afbakening en determinatie van soorten.

Ecologie

Soorten van Cyathicula leven voornamelijk als saprotrofen op afgestorven plantaardig materiaal. Ze worden onder meer aangetroffen op dode stengels van kruidachtige planten, bladstelen, bladeren en ander plantenafval. Enkele soorten groeien ook op dood hout.

De vruchtlichamen ontwikkelen zich vooral op vochtige plaatsen waar geschikt plantaardig materiaal wordt afgebroken. Sommige soorten hebben een voorkeur voor bepaalde substraten, terwijl andere op verschillende soorten kruidachtige planten voorkomen.

Het gewoon geleikelkje (Cyathicula cyathoidea) groeit bijvoorbeeld op afgestorven stengels van uiteenlopende kruidachtige planten, waaronder grote brandnetel (Urtica dioica). De soort wordt soms ook op afgestorven bladeren van loofbomen aangetroffen.

Taxonomie

De afbakening van Cyathicula is in de loop van de tijd verschillende malen gewijzigd. Een aantal soorten werd vroeger ondergebracht in de geslachten Phialea en Crocicreas.

In een revisie uit 1981 bracht S.E. Carpenter Cyathicula onder in een ruim opgevat geslacht Crocicreas. Later morfologisch en moleculair onderzoek wees echter op verschillen tussen de beide geslachten. Onder meer de structuur van het apicale apparaat van de asci en de vorm van de parafysen zijn daarbij van belang. Cyathicula wordt daarom in verschillende moderne taxonomische overzichten opnieuw als zelfstandig geslacht erkend.

Ook de afgrenzing ten opzichte van Allophylaria heeft tot taxonomische verwarring geleid. Zo wordt Cyathicula subliciformis door Species Fungorum als geaccepteerde naam vermeld, terwijl Martínez-Gil en Baral (2018) deze soort behandelen als Allophylaria subliciformis, de typesoort van Allophylaria. Moleculair onderzoek op basis van ribosomaal DNA ondersteunt volgens deze auteurs de plaatsing van Allophylaria in de familie Pezizellaceae, waardoor dit geslacht van Cyathicula wordt onderscheiden.

Verspreiding

Het geslacht heeft een ruime geografische verspreiding. Soorten zijn onder meer bekend uit Europa, Azië, Noord-Amerika, Zuid-Amerika en Australië. De verspreiding verschilt sterk per soort.

Ook in Nederland komen verschillende vertegenwoordigers voor. Sommige, zoals het gewoon geleikelkje, worden regelmatig aangetroffen, terwijl andere soorten slechts van een beperkt aantal vindplaatsen bekend zijn. De herkenning vereist bij verschillende soorten microscopisch onderzoek.

Soorten

Tot de soorten die door Species Fungorum onder Cyathicula worden geplaatst, behoren onder andere:

De Nederlandse namen zijn ontleend aan de gegevens van de Nederlandse Mycologische Vereniging en de NDFF Verspreidingsatlas. In deze Nederlandse bronnen worden verschillende van de genoemde soorten nog onder Crocicreas vermeld.