| Deuterostomia Fossiel voorkomen: Laat-Ediacarium – heden | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Deuterostomen uit verschillende fyla | ||||||
| Taxonomische indeling | ||||||
| ||||||
| Superfylum | ||||||
| Deuterostomia Grobben, 1909 | ||||||
| ||||||
Deuterostomia, soms nieuwmondigen genoemd, is een superfylum van tweezijdig symmetrische dieren en vertegenwoordigt een van de belangrijkste evolutionaire hoofdlijnen binnen het dierenrijk. Tot de Deuterostomia behoren globaal drie grote clades: de chordadieren (Chordata, waaronder alle gewervelden), de stekelhuidigen (Echinodermata) en de kraagdragers (Hemichordata).
De naam Deuterostomia betekent letterlijk 'tweede mond' en verwijst naar een klassiek kenmerk van de embryonale ontwikkeling. De allereerste opening die in het jonge embryo ontstaat – de zogeheten blastoporus – ontwikkelt zich hierbij tot de anus. De eigenlijke mond breekt pas in een later stadium door aan de tegenoverliggende zijde. Dit ontwikkelingspatroon onderscheidt de groep traditioneel van de Protostomia, waarbij de blastoporus juist eerst de mond vormt.
Alle deuterostomen hebben een coeloom, dat zich bij veel soorten ontwikkelt vanuit het mesoderm (enterocoely). Deze kenmerken komen echter niet bij alle deuterostomen voor en zijn deels onafhankelijk van elkaar geëvolueerd, waardoor de groep tegenwoordig vooral op basis van moleculaire gegevens wordt afgebakend.

De Deuterostomia omvatten veel bekende diergroepen. Hiertoe behoren allereerst de chordadieren (Chordata), waaronder de gewervelden, lancetvisjes en manteldieren. Een tweede grote groep zijn de stekelhuidigen (Echinodermata), met onder meer zeesterren, zee-egels en zeekomkommers. Daarnaast behoren ook de minder bekende kraagdragers (Hemichordata) tot de Deuterostomia. De groep omvat daarmee dieren met sterk uiteenlopende lichaamsvormen en levenswijzen, van kleine mariene filtervoeders tot grote gewervelde landdieren.
De Deuterostomia werden oorspronkelijk onderscheiden op basis van een aantal overeenkomsten in hun vroege embryonale ontwikkeling. Drie kenmerken gelden daarbij als het klassieke deuterostome ontwikkelingspatroon: de ontwikkeling van de blastoporus, de radiaalklievingen en de coeloomvorming. Tegenwoordig is bekend dat deze kenmerken niet uniek zijn voor deuterostomen, en ook binnen de groep aanzienlijk kunnen variëren. Om deze reden worden de Deuterostomia voornamelijk op basis van fylogenetisch en moleculair onderzoek afgebakend.

Het bekendste kenmerk betreft de blastoporus, de eerste opening van de embryonale oerdarm. Bij het klassieke deuterostome patroon ontwikkelt deze zich tot de anus of het achterste uiteinde van het spijsverteringskanaal, terwijl de mond later op een andere plaats ontstaat. Hieraan ontleent de groep haar naam, letterlijk 'tweede mond'. Bij de zustergroep, Protostomia, is de blastoporus daarentegen doorgaans (maar zeker niet altijd) met de vorming van de mond geassocieerd.
Na de bevruchting ondergaat de eicel een reeks klievingsdelingen, waarbij het embryo in steeds meer en kleinere cellen wordt verdeeld zonder aanvankelijk in omvang toe te nemen. Bij het klassieke deuterostome patroon verloopt deze klieving radiaal: de delingsvlakken liggen evenwijdig aan of loodrecht op de lengteas van het embryo, waardoor opeenvolgende cellagen min of meer recht boven elkaar komen te liggen. Dit verschilt fundamenteel van de spiraalklievingen die bij de meeste Protostomia voorkomen, waarbij opeenvolgende cellagen ten opzichte van elkaar gedraaid liggen.
Een derde kenmerk is de vorming van het coeloom, de met mesoderm beklede lichaamsholte. Bij Deuterostomia gebeurt dit via een fenomeen genaamd enterocoely: hierbij ontstaan er uitstulpingen vanuit de embryonale oerdarm (het archenteron), die zich uiteindelijk afsnoeren om het mesoderm en de holte te vormen. Dit proces is duidelijk zichtbaar bij stekelhuidigen en kraagdragers, maar bij veel chordadieren – waaronder de gewervelden – verloopt de vorming van het coeloom via andere embryonale mechanismen.

Deuterostomen hebben een zeer rijk fossielenbestand, met duizenden bekende fossiele soorten verspreid over het Fanerozoïcum. Er zijn verschillende fossiele overblijfselen uit het Ediacarium bekend die mogelijk vroege deuterostomen vertegenwoordigen, maar de interpretatie hiervan blijft een lastig twistpunt. Burykhia en Ausia zijn bijvoorbeeld enerzijds geïnterpreteerd als vroege manteldieren, maar anderzijds ook toegeschreven aan de neteldieren of sponzen. Ook het enigmatische fossiel Yanjiahella wordt beschouwd als een vroege deuterostoom, maar de verwantschap is onzeker.
Fossiele vondsten uit 2026, afkomstig van de Jiangchuan-biota in China, leveren sterker bewijs dat geavanceerde deuterostomen al in het Laat-Ediacarium (tussen 554 en 539 miljoen jaar geleden) aanwezig waren. Vermoedelijk gaat het om stamgroep-vertegenwoordigers van de Ambulacraria; een voorouder van de tegenwoordige stekelhuidigen en de kraagdragers.
In het Cambrium wordt het fossielenbestand van deuterostomen duidelijker. Stekelhuidigen worden vanaf het Midden-Cambrium, ongeveer 521 miljoen jaar geleden, relatief algemeen. Uit ongeveer dezelfde tijd stammen Haikouichthys en Myllokunmingia, die tot de vroegste bekende gewervelden behoren. De iets jongere Pikaia wordt eveneens beschouwd als een vroege chordaat.
De gemeenschappelijke voorouder van de deuterostomen was hoogstwaarschijnlijk een op de zeebodem levende (benthische) wormachtige met een eenvoudig skelet van kraakbeen, een simpel centraal zenuwstelsel en kieuwspleten.
De evolutionaire verwantschappen binnen de Deuterostomia zijn sinds het einde van de twintigste eeuw sterk herzien. Moleculair onderzoek leidde onder meer tot de erkenning van de Ambulacraria, waarin stekelhuidigen en kraagdragers nauwer aan elkaar verwant blijken dan aan chordadieren. Verwantschap tussen de stekelhuidigen en kraagdragers werd al eind 19e eeuw opgemerkt (Ilya Metsjnikov).
Deuterostomia werden lange tijd beschouwd als een duidelijk afgebakende monofyletische groep van tweezijdig symmetrische dieren. Dit traditionele beeld is met recente fylogenetische analyses minder zeker geworden. Ondersteuning voor met name de vroege afsplitsingen is zeer beperkt als rekening wordt gehouden met fylogenetische modelfouten. De klassieke verwantschappen binnen Deuterostomia is:
| Deuterostomia |
| ||||||||||||||||||