| Edmond Salomon Chait | ||
|---|---|---|
Edmond Chait in 1973, gefotografeerd door Maarten Eliasar | ||
| Volledige naam | Edmond Salomon Chait | |
| Geboren | 10 september 1912, Borgerhout | |
| Overleden | 8 februari 1975, Rotterdam | |
| Groep | Dutch-Paris | |
Edmond Salomon Chait, bekend als Moen (Borgerhout, 10 september 1912 – Rotterdam, 8 februari 1975), was een Belgische verzetsman van Joodse afkomst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog behoorde hij met Johan Hendrik Weidner en Jacques Rens tot de leiding van Dutch-Paris, een internationaal netwerk dat vervolgden hielp onderduiken of naar Zwitserland en Spanje ontsnappen.
Chait combineerde organisatorische verantwoordelijkheid met het begeleiden van vluchtelingen en het vervoeren van geld en microfilms. Hij hielp Joodse vluchtelingen, Engelandvaarders en geallieerde vliegers en bleef na de arrestatiegolf van 1944 actief. Na de bevrijding werkte hij met de Nederlandse autoriteiten aan het opsporen van collaborateurs.
Chait werd geboren in Borgerhout, bij Antwerpen. Zijn ouders waren Izaak David Chait en Fanni, ook Franciska genoemd, Schwartz. Zijn familie was verbonden aan de houthandel I. D. Chait Zonen. Hij kende Nederland en België en sprak vloeiend Frans.
Chait raakte in Antwerpen betrokken bij de hulp aan vervolgde Joden. Hij werkte samen met het Comité de Défense des Juifs, dat onderduikers ondersteunde.
In 1942 vluchtte hij met zijn halfbroer Bernhard naar Lyon. Zij beschikten over valse Nederlandse identiteitspapieren. In augustus werd Chait bij een razzia gearresteerd. De Nederlandse consul Maurice Jacquet bewerkstelligde zijn vrijlating. Als vrijwillig vertaler op het consulaat ontmoette hij vervolgens Weidner en sloot hij zich aan bij diens ontsnappingshulp naar Zwitserland.
Volgens de Weidner Foundation behoorde Chait vanaf ongeveer begin 1943 tot Weidners belangrijkste medewerkers. Hij werd binnen het netwerk bekend onder de naam Moen.

De ledenlijst van Dutch-Paris, gebaseerd op het onderzoek van historica Megan Koreman, noemt Chait, Weidner en Jacques Rens als de centrale leiding. Daaronder functioneerden plaatselijke groepen, koeriers, onderdakgevers en leveranciers van voedsel en documenten.
Het netwerk verbond Nederland, België en Frankrijk met uitwegen naar Zwitserland en Spanje. Het bood hulp aan Joden die aan deportatie probeerden te ontkomen, verzetsmensen die werden gezocht en mannen die de verplichte tewerkstelling wilden ontwijken. Daarnaast hielp het Engelandvaarders en neergekomen geallieerde vliegers. Hulp was niet afhankelijk van iemands geloof, politieke overtuiging of vermogen om de kosten te betalen.
Chaits werkzaamheden omvatten het begeleiden van mensen en het overbrengen van geld en informatie over de grenzen. Ook was hij betrokken bij de hulp aan Joodse kinderen en aan de Nederlandse vlieger Bram van der Stok. Daarnaast vervoerde hij documenten en microfilms voor de Zwitserse Weg, de verbinding tussen het Nederlandse verzet en Zwitserland.
In Brussel speelde Benno Nijkerk een leidende rol. In Parijs werkte het netwerk onder meer met Herman Laatsman, Suzanne Hiltermann en Jean Michel Caubo. Bij Toulouse steunde de ontsnappingshulp op plaatselijke gidsen en helpers, onder wie Jan aan de Stegge.
Chait begeleidde tientallen vluchtelingen naar Parijs en verder Frankrijk in. Hij gebruikte bij voorkeur stoptreinen, waarin minder werd gecontroleerd, en drong aan op geloofwaardige valse papieren.
Voor zijn eigen grenspassage bij Quiévrain gebruikte hij een bruggetje over de Aunelle. Omdat de doorgang met prikkeldraad was versperd, klom hij langs de buitenkant. De meeste vluchtelingen passeerden de Belgisch-Franse grens per trein.
De route naar Spanje vereiste een tocht door de Pyreneeën. Daar was het netwerk afhankelijk van gidsen die het terrein en de grensbewaking kenden. Vooraf moesten vluchtelingen worden ondergebracht en van voedsel en reisdocumenten worden voorzien.
In februari 1944 had Chait bij Toulouse een groep vliegers en Engelandvaarders onder zijn hoede. Slecht weer verhinderde hun vertrek. Hij regelde onderdak, voedsel en treinkaartjes naar Lannemezan. Nadat de groep verder was gereisd, hield nieuwe sneeuwval de vluchtelingen opnieuw wekenlang op.
In februari 1944 werd Dutch-Paris getroffen door een reeks arrestaties. Onder de opgepakte organisatoren in Parijs waren Laatsman en Hiltermann. Ook medewerkers in België en elders in Frankrijk werden gearresteerd; verschillende leden kwamen in Duitse concentratiekampen om.
Chait ontkwam aan de arrestatiegolf en hielp het netwerk reorganiseren. Nadat Weidner en Rens uit gevangenschap bij de Milice in Toulouse waren ontsnapt, hielp hij hen uit de stad wegkomen. In juli 1944 organiseerde hij de vrijkoop van drie Nederlandse Joden uit het interneringskamp van Noé.
Van eind 1944 tot medio 1946 werkte Chait met Weidner voor een tijdelijke Nederlandse veiligheidsdienst in Parijs. Hij hielp terugkerende verzetsmensen en onderzocht arrestaties binnen Dutch-Paris. In 1947 hervatte hij zijn werk in de familiehouthandel.
Voor zijn verzetswerk ontving hij onderscheidingen uit verschillende landen, waaronder de Nederlandse Orde van Oranje-Nassau, het Belgische Oorlogskruis en de Medaille van de Weerstand, en de Amerikaanse Medal of Freedom.
Chait overleed op 8 februari 1975 in Rotterdam, op 62-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de Joodse begraafplaats aan het Toepad.
Chait werkte mee aan de documentaire Weg naar de vrijheid, meer dan 1080 (1967) van Dick Verkijk, waarin leden van Dutch-Paris over hun verzetswerk vertelden.