Dutch-Paris was een ondergronds en transnationaal hulp-, ontsnappings- en koeriersnetwerk van het Nederlands, Belgisch en Frans verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het netwerk hielp onder anderen Nederlandse Joden, Engelandvaarders, verzetsmensen en neergeschoten geallieerde vliegers om via Frankrijk naar het neutrale Zwitserland of Spanje te ontsnappen. Daarnaast werden via dezelfde verbindingen clandestiene documenten en inlichtingen vervoerd.
Aan Dutch-Paris werkten honderden mensen uit verschillende landen mee. Het netwerk hielp meer dan duizend mensen bij hun ontsnapping, waaronder honderden Nederlandse Joden en meer dan honderd neergeschoten geallieerde vliegers. De activiteiten brachten grote risico's met zich mee: tientallen medewerkers werden gearresteerd en gedeporteerd en verschillende leden kwamen in Duitse gevangenschap om.

Jean Weidner groeide als zoon van Nederlandse ouders op in de omgeving van het Zwitsers-Franse grensgebied bij Collonges-sous-Salève, een plaats in het Franse departement Haute-Savoie.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Weidner een zakenman in textiel en woonde hij in Parijs. Na de bezetting van Frankrijk door Duitsland vluchtte hij met een aantal anderen van Parijs naar Lyon in het aanvankelijk onbezette deel van Frankrijk. Omdat hij zijn Parijse textielzaak in de steek had moeten laten, begon hij in Lyon een nieuwe textielzaak.
Vanaf 1941 bouwde Weidner een hulp- en ontsnappingsnetwerk op dat later bekend zou worden onder de naam Dutch-Paris. Zijn textielzaak aan de Rue du Griffon 13 in Lyon werd een belangrijk organisatorisch centrum. Hij werd bijgestaan door een groeiende groep medewerkers. Hoewel verschillende leidinggevende medewerkers Nederlanders waren, bestond een groot deel van het netwerk uit Fransen en Belgen. Dutch-Paris werkte daarnaast samen met andere groepen en netwerken van het Belgische en Franse verzet voor onder meer valse identiteitspapieren, onderduikadressen, voedsel en vervoer.
De vluchtelingen waren onder anderen Joodse gezinnen, Engelandvaarders, verzetsmensen en geallieerde militairen. Sommige vluchtelingen konden hun reis zelf bekostigen; voor anderen moest het netwerk financiële middelen vinden. Ook de Nederlandse regering in ballingschap droeg aan de financiering bij.
Aanvankelijk was vooral de route naar Zwitserland belangrijk. Weidner kende het grensgebied uit zijn jeugd en beschikte daar over contacten en adressen. Om gemakkelijker passen te verkrijgen waarmee het grensgebied kon worden betreden en verlaten, zette hij eind 1942 een tweede textielwinkel op in Annecy.
Later werd een ontsnappingsroute via Toulouse naar Spanje uitgebouwd. Daar waren lokale medewerkers, onderduikadressen en ervaren passeurs nodig om vluchtelingen door de Pyreneeën te begeleiden.
Volgens een overgeleverde anekdote ontstond de naam Dutch-Paris toen een geallieerde vlieger in Parijs aan Herman Laatsman vroeg hoe de organisatie heette die hem hielp. Omdat het netwerk geen vaste naam gebruikte, zou Laatsman hebben geantwoord met iets als Dutch in Paris. De vlieger gebruikte na zijn terugkeer in Engeland de benaming Dutch-Paris, waarna deze naam ingeburgerd raakte.
Weidners opvoeding als zevendedagsadventist speelde een belangrijke rol in zijn overtuiging dat hij vervolgde mensen moest helpen. Zijn contacten, talenkennis en organisatorisch vermogen droegen bij aan de uitbreiding van het netwerk.
Dutch-Paris strekte zich uit over Nederland, België, Frankrijk, Zwitserland en Spanje. Het functioneerde niet als één strak gecentraliseerde organisatie, maar als een netwerk van plaatselijke groepen, koeriers, onderduikadressen en gidsen die op elkaar aansloten.
De ontsnappingsroutes hadden grotendeels een estafettekarakter. Koeriers begeleidden vluchtelingen meestal over een bepaald traject en droegen hen daarna aan een volgende medewerker over. Daardoor hoefde niet iedere medewerker de volledige organisatie of de gehele route te kennen. Dezelfde verbindingen konden in omgekeerde richting worden gebruikt voor het vervoer van documenten, berichten en geld.
Een belangrijke route naar Zwitserland liep vanuit Nederland via Brussel, Parijs, Lyon en Annecy naar de Frans-Zwitserse grens. Voor de route naar Spanje reisden vluchtelingen onder meer via Brussel en Parijs naar Toulouse. Vanuit Toulouse werden zij via verschillende routes door de centrale Pyreneeën naar Spanje gebracht.
Een belangrijk knooppunt was Parijs. Op het station Gare du Nord werkte Jean Michel Caubo, die bij de spoorwegen verantwoordelijk was voor dienstregelingen en over een eigen kantoor beschikte. Dit kantoor kon worden gebruikt voor contacten en de opvang en doorgeleiding van vluchtelingen. Daarnaast bestonden verschillende alternatieve trajecten, waaronder verbindingen tussen Lyon en Toulouse en een route van Lyon via Avignon naar Perpignan.

Toulouse vormde een belangrijk knooppunt voor verschillende ontsnappingsnetwerken die mensen naar de Pyreneeën en Spanje brachten. Dutch-Paris werkte er naast andere organisaties, waaronder het Réseau Françoise, dat werd geleid door de Franse verzetsstrijdster Marie-Louise Dissard, met de schuilnaam Françoise.
Réseau Françoise was voortgekomen uit de ontsnappingslijn van Albert Guérisse, die onder de schuilnaam Pat O'Leary opereerde. Nadat Guérisse in maart 1943 door de Duitsers was gearresteerd, zette Dissard vanuit Toulouse een belangrijk deel van het ontsnappingswerk voort onder haar eigen schuilnaam.
Dutch-Paris en Réseau Françoise bleven afzonderlijke organisaties, maar hun werkzaamheden en contacten in Zuidwest-Frankrijk overlapten. Een belangrijke verbindingsfiguur was de geneeskundestudent Gabriel Nahas. Vanaf juni 1943 werkte hij in Toulouse als verbindingsagent voor Dutch-Paris en hielp hij bij de opvang van vluchtelingen en het organiseren van transporten richting de Pyreneeën. Later concentreerde hij zich op het Réseau Françoise. In november 1943 was hij adjunct van Dissard voor de zuidelijke zone. Onderzoek van historici Diego Gaspar Celaya en Megan Koreman beschrijft Nahas eveneens als tussenpersoon voor Dutch-Paris en andere nationale en internationale ontsnappingsnetwerken rond Toulouse, voordat hij zich op het netwerk Françoise richtte.
De samenwerking en personele overlap tussen dergelijke netwerken was kenmerkend voor de ontsnappingshulp in Zuid-Frankrijk: vluchtelingen konden tijdens één reis achtereenvolgens door medewerkers van verschillende organisaties worden ondergebracht, vervoerd en begeleid.
Voor de Nederlandse regering in ballingschap in Londen was het van groot belang te weten wat er in Nederland gebeurde. Omgekeerd was er in bezet Nederland behoefte aan informatie en instructies vanuit Londen.
Door het verzet verzamelde inlichtingen werden onder meer op microfoto's vastgelegd en in kleine voorwerpen, kleding of bagage verborgen. De verbindingen die voor het vervoer van personen werden gebruikt, konden eveneens voor berichten en documenten worden ingezet.
De documentensmokkel verliep voor een belangrijk deel via Zwitserland. Dutch-Paris maakte daarmee deel uit van de verbinding die bekend werd als de Zwitserse Weg. In Zwitserland speelde Willem Visser 't Hooft, die in Genève werkzaam was in de oecumenische beweging die later zou uitgroeien tot de Wereldraad van Kerken, een belangrijke rol bij het doorgeven van informatie aan vertegenwoordigers van de Nederlandse regering in Londen.
Willem Visser 't Hooft onderhield vanuit het neutrale Zwitserland contacten met kerken en verzetsgroepen in bezet Europa en speelde een rol bij het verkrijgen van financiële steun voor Dutch-Paris van Nederlandse instanties in Londen.
Het ondersteunen van vluchtelingen was kostbaar. Naast voedsel, kleding, valse documenten en onderdak moesten ook treinreizen, koeriers en soms plaatselijke gidsen worden betaald. Vooral de routes door de Pyreneeën vergden aanzienlijke bedragen. De tochten waren gevaarlijk door het bergterrein, sneeuw en slecht weer en door Duitse en Franse controles.
Geallieerde instanties leverden eveneens financiële ondersteuning voor het terugbrengen van neergeschoten militairen. Daardoor kon Dutch-Paris zijn hulp ook voortzetten voor vluchtelingen die zelf onvoldoende middelen hadden.
Op 9 februari 1944 werd een jonge vrouwelijke koerier door Franse politieagenten gearresteerd en vervolgens aan de Gestapo overgedragen. Tegen de veiligheidsregels van het netwerk in had zij een notitieboek bij zich met namen en adressen van medewerkers van Dutch-Paris. Na zware ondervraging kwamen verschillende adressen en contacten in Duitse handen.
Daarop volgde een reeks arrestaties in Frankrijk en België. Onder anderen Herman Laatsman, Benno Nijkerk, Gabrielle Weidner, David Verloop en andere medewerkers werden gearresteerd. Veel gevangenen werden gemarteld en een deel werd later naar Duitse concentratiekampen gedeporteerd.
De precieze aantallen verschillen in oudere en latere publicaties. In oudere beschrijvingen worden ongeveer 150 arrestaties en veertig doden genoemd. Uit later onderzoek in de door Weidner verzamelde archieven zijn 65 gearresteerde leden van Dutch-Paris geïdentificeerd; 38 van hen werden als politieke gevangenen gedeporteerd en veertien medewerkers kwamen in Duitse gevangenschap om.
De Duitsers slaagden er niet in de belangrijkste leiders Weidner, Jacques Rens en Edmond Salomon Chait te arresteren. Ondanks de zware verliezen kon Dutch-Paris delen van zijn organisatie opnieuw opbouwen en bleef het tot de bevrijding hulp verlenen, al nam het aantal transporten naar Spanje na de arrestatiegolf sterk af.
Een van de bekendste personen die met hulp van Dutch-Paris wist te ontsnappen was Bram van der Stok. Hij was een van de drie geallieerde vliegers die na de massale ontsnapping uit Stalag Luft III uiteindelijk opnieuw geallieerd gebied bereikten.
Van der Stok reisde via België en Frankrijk naar Spanje en bereikte uiteindelijk Groot-Brittannië. De twee andere succesvolle ontsnapten uit Stalag Luft III, de Noren Per Bergsland en Jens Müller, bereikten via Denemarken het neutrale Zweden. Van de overige ontsnapte krijgsgevangenen werden de meesten opnieuw gearresteerd; vijftig van hen werden op bevel van de Duitse leiding geëxecuteerd.
Onder anderen de volgende personen waren betrokken bij Dutch-Paris of werkten vanuit andere verzetsverbanden met het netwerk samen. Zij zijn hieronder ingedeeld naar hun rol.