| Fijn schapengras | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||
| Festuca filiformis Pourr. (1788) | ||||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Fijn schapengras of fijnbladig schapengras (Festuca filiformis) is een plantensoort uit de grassenfamilie (Poaceae).
Fijn schapengras is een vaste, kruidachtige plant die dichte pollen vormt. Ze bereikt een hoogte van 30–40 cm. De 11–23 cm lange bladeren hebben veelal een grijsgroene kleur. De wortelbladen en de 0,3–0,6 mm brede bladeren van de vegetatieve spruiten zijn borstelvormig stijf ingerold en hebben één rib. De bladschede is bijna tot onderaan open en heeft een 0,1–0,4 mm lang tongetje. De bladeren van de bloeistengel zijn vlak of stijf ingerold. De bloeitijd van fijn schapengras strekt zich uit over mei tot in augustus. De bloeiwijze omvat een samengetrokken, 3–9 cm lange pluim, die rechtopstaande zijtakken heeft. De vier- tot vijfbloemige aartjes zijn 4–7 mm lang. Het bovenste kroonkafje is 2,3–3,7 mm lang. Het onderste kroonkafje heeft meestal een tot 0,5 mm lange kafnaald. Het bovenste kelkkafje is 2,2–3,5 mm lang en het onderste 1,6–2,4 mm. De meeldraden zijn 1–2,2 mm lang. Het vlagblad (bij het topblad van de stengel heet de bladschijf het vlagblad) is 0,5–5 cm lang. De vrucht is een 1,5–2 mm lange graanvrucht. Het aantal chromosomen van fijn schapengras is 2n = 14.
Het natuurlijke verspreidingsgebied van fijn schapengras strekt zich uit over West- en Centraal-Europa en is van daaruit verspreid naar Noord-Amerika, de Scandinavische landen en Nieuw-Zeeland. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst als algemeen voorkomend en stabiel of toegenomen.
Fijn schapengras is een indicatorsoort voor struisgrasvegetaties (ha) en voor het droog heischraal grasland (hn), twee karteringseenheden in de Biologische Waarderingskaart (BWK) van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.