
Pseudopodia (enkelvoud: pseudopodium) of schijnvoetjes zijn (tijdelijke) uitstulpingen van het celmembraan en cytoplasma van eukaryote cellen. Ze worden gevormd door plaatselijke veranderingen in het cytoskelet, met name door de opbouw en afbraak van actinefilamenten.
Veel eencellige eukaryoten (protisten) gebruiken pseudopodia voor voortbeweging en het opnemen van voedseldeeltjes. Dit is met name bekend bij amoeben, maar komt ook voor bij andere groepen zoals foraminiferen en radiolariën, die netvormige of naaldachtige schijnvoetjes gebruiken om prooien te vangen. Ook cellen van meercellige organismen kunnen dergelijke uitstulpingen vormen: witte bloedcellen van dieren bijvoorbeeld, die deze gebruiken om door weefsels te bewegen en ziekteverwekkers of celresten op te nemen (fagocytose).
Pseudopodiën worden op grond van hun vorm, interne structuur en voorkomen in verschillende typen onderscheiden. De belangrijkste vormen zijn lobopodiën, lamellipodiën en filopodiën. Bij bepaalde protisten komen daarnaast reticulopodiën en axopodiën voor.

Lobopodiën zijn relatief brede, stompe uitstulpingen van het cytoplasma, die onder meer kenmerkend zijn voor veel Amoebozoa en enkele Heterolobosea. Ze zijn vaak vingervormig en kunnen snel van vorm veranderen. Door stroming van het cytoplasma in de uitstulping wordt het cellichaam naar voren verplaatst. Een cel kan daarbij één dominante lobopodium vormen (monopodiaal) of meerdere tegelijk (polypodiaal). Lobopodiën spelen vooral een rol bij amoeboïde voortbeweging en het omsluiten van voedseldeeltjes.
Ook fibroblasten van het menselijk lichaam kunnen bij voortbeweging door driedimensionaal weefsel lobopodiën vormen. Hierbij wordt de celkern door contractie van actomyosine naar voren getrokken, waardoor druk op het cytoplasma ontstaat die het celmembraan naar buiten duwt.

Lamellipodiën zijn brede, platte en meestal waaiervormige uitstulpingen die worden gevormd door een dicht netwerk van actinefilamenten. Ze ontstaan vaak aan de voorzijde (leading edge) van een bewegende cel, waar voortdurende polymerisatie van actine het celmembraan naar voren duwt. Lamellipodiën spelen daardoor een rol bij de 'kruipende' beweging van veel amoeboïde en dierlijke cellen. Ze komen onder meer voor bij aangeboren witte bloedcellen, huidcellen (tijdens wondgenezing), fibroblasten, zenuwcellen en kankercellen.
Filopodiën zijn lange, zeer dunne uitstulpingen die vaak voorbij de lamellipodiën uitsteken. Ze worden ondersteund door bundels van onderling gecrosslinkte actinefilamenten. Ze bestaan uit ectoplasma. Deze structuren spelen een belangrijke rol bij aanhechting en cel-celadhesie.
Ze komen voor bij uiteenlopende eukaryoten. Ook verschillende dierlijke cellen, waaronder migrerende macrofagen en dendritische cellen, kunnen filopodiën vormen voor fagocytose. Virussen kunnen zich langs filopodiën naar het celoppervlak verplaatsen, waar ze de cel kunnen infecteren.

Reticulopodiën zijn draadvormige pseudopodiën die zich vertakken en onderling weer versmelten (anastomose). Hierdoor ontstaat een uitgebreid netwerk rond de cel. Ze zijn vooral bekend van foraminiferen, die zo'n netwerk gebruiken voor voortbeweging, hechting aan de ondergrond en het vangen en transporteren van voedseldeeltjes. In reticulopodiën bevinden zich microtubuli, waarlangs cytoplasma en celbestanddelen in beide richtingen kunnen worden vervoerd. Ze lijken daarom wat granulair.
Axopodiën zijn lange, doorgaans rechte pseudopodiën. Ze komen onder meer voor bij verschillende protisten die traditioneel als zonnediertjes en stralendiertjes worden aangeduid. Ze ontstaan via een centrale, geordende bundel van microtubuli, het axonema. Axopodiën vergroten het oppervlak van de cel en worden vooral gebruikt om voedseldeeltjes en kleine organismen te onderscheppen.