| Bundelmosklokje | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Galerina marginata (Batsch) Kühner (1935) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Het bundelmosklokje (Galerina marginata) is een amatoxine bevattende en daardoor giftige paddenstoel uit de Galerina familie. De soort is saprotroof en groeit vooral op dood naaldhout, maar soms op de bodem of op loofhout. Gewoonlijk verschijnt ze vanaf het voorjaar tot in de herfst, vaak in bundels of groepen.
De koepelvormige hoed heeft een diameter van 1 tot 4 cm. en is aan de rand gestreept. Verse exemplaren zijn licht kleverig tot vochtig en bruin tot geelbruin van kleur. Naarmate de zwam veroudert vervaagt de kleur van de hoed tot bruin of bleekgeel.
De lamellen zijn recht aan de steel aangehecht of lopen kort af, ze staan dicht op elkaar en zijn smal. Aanvankelijk is de kleur licht oker, later wordt dat bruin tot roestbruin. De ruwige snede blijft wat lichter.
De cilindrische steel is bruin met wittige overlangse vezels. Vaak is er een slordig ringetje zichtbaar. Het onderste deel van de steel is meestal donkerder gekleurd.
Het vruchtvlees in de hoed is geelachtig en donkerbruin in de steel.
De zwam ruikt melig, maar de geur wordt ook wel omschreven als "muf, ziekelijk en vergelijkbaar met rottend hout".
De sporenprint laat een lichtbruine afdruk achter.
De amandelvormige sporen zijn ongeveer 8-10 × 5-6 µm groot. Zoals alle Galerina-soorten, hebben de sporen een plage, waarvan is beschreven dat het lijkt op "een licht gerimpeld plastic krimpfolie dat het distale uiteinde van de sporen bedekt". Het oppervlak van de sporen is wrattig en vol rimpels, met een gladde depressie waar de spore ooit via het sterigmatum aan het basidium was vastgemaakt. In kaliumhydroxide (KOH)-oplossing zien de sporen er geelbruin of donkerder roestbruin uit, met een apicale callus. De basidia zijn viersporig (zelden met een paar tweesporige), ruwweg cilindrisch bij het produceren van sporen, maar met een licht taps toelopende basis en hebben de grootte 21-29 × 5-8,4 µm.
De cystidia zijn cellen van het vruchtbare hymenium die geen sporen produceren. Deze steriele cellen, die structureel verschillend zijn van de basidia, worden verder geclassificeerd volgens hun locatie. In G. marginata zijn de pleurocystidia (cystidia van de lamelsnede) 46-60 × 9-12 µm, dunwandig en hyaliene in KOH, fusoïde tot ventricose van vorm met golvende halzen en stompe tot subacute toppen (3-6 µm diameter nabij apex). De cheilocystidia (cystidia van de lamelrand) hebben dezelfde vorm, maar zijn vaak kleiner dan de pleurocystidia, overvloedig aanwezig, zonder knotsvormige of abrupt taps toelopende (mucronaat) cellen. In de hyfen zijn gespen aanwezig.
Bundelmosklokjes groeien op dood loof- en naaldhout, maar ook wel op de bodem, vaak in de buurt van naaldbomen, vooral bij dennenfamilie en fijnspar. De verspreidingskaarten van GBIF laten een bijna mondiale verspreiding zien. In Nederland en België is de soort vrij algemeen.
Het bundelmosklokje is een zeer giftige paddenstoel. Het bevat amatoxine, dat in tegenstelling tot andere inneembare toxinen ongevoelig is voor hitte. De lever is het centrale orgaan dat uitvalt bij inname van amatoxine bevattende paddenstoelen. De amatoxinen zijn selectieve remmers van RNA-polymerase wat essentieel is voor de aanmaak van Messenger-RNA en MicroRNA's.
Samen met onder andere de paddenstoelsoorten uit de families Amanieten en Lepiota horen de Galerina (mosklokjes) tot de paddenstoelen die amatoxine bevatten. Het bundelmosklokje bevat verhoudingsgewijs meer amatoxine dan de groene knolamaniet (Amanita phalloides). Deze zeer giftige stof is ongevoelig voor hitte en kan al in kleine dosering dodelijk zijn. De incubatietijd tussen opname en het verschijnen van de eerste ziekteverschijnselen is tussen de 12 en 48 uur.
Een intoxicatie door het eten van bundelmosklokjes manifesteert zich in drie fasen:
| Dubbelganger | Foto | Bron |
|---|---|---|
| stobbezwammetje | ||
| gewone zwavelkop | ||
| blauwwordend kaalkopje |