Galerinaceae

Galerinaceae
Bundelmosklokje (Galerina marginata)
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie
Galerinaceae
Locq. ex Niskanen, Kytöv. & Liimat. (2026)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

Galerinaceae is een familie van schimmels uit de orde Agaricales. De familie omvat de geslachten Galerina (mosklokjes) en Gymnopilus (vlamhoeden). De soorten vormen doorgaans geelbruine tot roodbruine vruchtlichamen met bruine sporen. Ze leven voornamelijk als saprotrofen op dood organisch materiaal, terwijl sommige soorten ook parasitair kunnen leven.

De familie werd in 2026 formeel beschreven op basis van fylogenomisch onderzoek. Voorheen werden de twee geslachten doorgaans ingedeeld bij de familie Hymenogastraceae.

Taxonomie

De familienaam Galerinaceae werd in 1984 door de Franse mycoloog Marcel Locquin voorgesteld, maar was destijds niet geldig gepubliceerd volgens de regels van de Internationale Code voor de nomenclatuur van algen, schimmels en planten. In 2026 werd de naam geldig gepubliceerd door Tuula Niskanen, Ilkka Kytövuori en Kare Liimatainen, met de auteursvermelding Locq. ex Niskanen, Kytöv. & Liimat.

De afbakening van de familie is gebaseerd op onderzoek naar de evolutionaire verwantschappen binnen de onderorde Agaricineae. Daarbij werden gegevens uit grote aantallen genen gebruikt om de verwantschappen tussen verschillende groepen plaatjeszwammen te bepalen. Hieruit bleek dat een herindeling van verschillende geslachten uit de traditionele families Hymenogastraceae en Strophariaceae noodzakelijk was.

Het typegeslacht is Galerina, dat in 1909 door Franklin Sumner Earle werd beschreven. De typesoort van dit geslacht is Galerina vittiformis, oorspronkelijk beschreven als Agaricus vittiformis door Elias Magnus Fries in 1838.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

De vruchtlichamen variëren van zeer klein tot groot en hebben een mycenoïde, collybioïde of tricholomatoïde bouw.

Hoed

De hoed heeft een diameter van 0,1 tot 15 cm. De vorm varieert van kegelvormig of klokvormig tot gewelfd of uitgespreid. Vaak is een centrale bult (umbo) aanwezig. Het hoedoppervlak kan glad, schubbig of fijn gerimpeld zijn. Afhankelijk van de soort is het droog, kleverig of slijmerig. De kleur varieert van okergeel tot roodbruin. Sommige soorten hebben een hygrofane hoed.

Lamellen

De lamellen zijn uitgerand aangehecht en hebben een gele tot bruine kleur. Het sporenpoeder is bruin.

Steel

De steel is 0,2 tot 15 cm lang en doorgaans cilindrisch, soms met een enigszins knotsvormige of knolvormige basis. Het oppervlak kan glad of vezelig zijn. De bovenzijde is soms fijn berijpt. De kleur varieert van geel tot bruin.

Velum

Het velum is bij veel soorten vergankelijk of ontbreekt. Bij andere soorten vormt het een annulus (ring) of vliezige resten op de steel.

Geur

De geur is meestal onopvallend of meelachtig.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn amandelvormig tot elliptisch en zelden bijna bolvormig. Bij de meeste soorten is de sporenwand wrattig of gerimpeld. De sporen reageren doorgaans dextrinoïde.

Cheilocystiden zijn aanwezig. Pleurocystiden kunnen aanwezig zijn of ontbreken. Gespen komen doorgaans voor aan de septen van de hyfen.

De meestal wrattige sporen zonder duidelijke kiempore vormen een belangrijk onderscheid met soorten uit de verwante familie Agrocybaceae, die doorgaans gladde sporen hebben en vaak wel een duidelijke kiempore bezitten.

Ecologie

De meeste soorten van de Galerinaceae leven saprotroof en breken dood organisch materiaal af. Ze groeien onder andere op:

Sommige soorten kunnen parasitair leven. Een voorbeeld is de prachtvlamhoed (Gymnopilus junonius), die zowel op dood hout als aan de voet van levende bomen kan groeien en als necrotrofe parasiet wordt beschouwd.

Giftigheid

Binnen de familie komen giftige soorten voor. Een bekend voorbeeld is het bundelmosklokje (Galerina marginata), dat amatoxinen bevat. Deze stoffen kunnen ernstige leverbeschadiging en dodelijke vergiftiging veroorzaken.

Onderzoek naar de verspreiding van amatoxinen binnen Galerina liet zien dat niet alle soorten van het geslacht deze gifstoffen bevatten. In de onderzochte exemplaren werden amatoxinen uitsluitend aangetroffen binnen het soortencomplex van G. marginata.

Geslachten

Volgens de indeling van Niskanen et al. (2026) omvat de familie de volgende twee geslachten:

Verwantschap

De Galerinaceae behoren tot een groep verwante families binnen de Agaricineae, waartoe ook de Agrocybaceae, Phaeocollybiaceae en Hymenogastraceae behoren.

De soorten van de Galerinaceae onderscheiden zich van de Agrocybaceae door de doorgaans wrattige sporen zonder duidelijke kiempore. De Phaeocollybiaceae hebben eveneens vaak ornamentatie op de sporen, maar verschillen onder andere door hun lange, kraakbeenachtige, diep wortelende steel en hun ectomycorrhizale levenswijze.