| Plaats in Jemen | |||
|---|---|---|---|
| Situering | |||
| Gouvernement | Socotra | ||
| District | Hadiboh | ||
| Coördinaten | 12° 39′ NB, 54° 1′ OL | ||
| Algemeen | |||
| Inwoners | 8.545 | ||
| Hoogte | 13 m | ||
| Foto's | |||
![]() | |||
| |||
Hadiboh (Arabisch: حديبو), voorheen Tam(a)rida (تمريدة), is de hoofdplaats van het Jemenitische eiland Socotra. Het vormt daarnaast de hoofdplaats van het grotere oostelijke en gelijknamige district Hadiboh van het gouvernement Socotra. De stad telde 8454 inwoners bij de volkstelling van 2004. In de decennia erna is de bevolking sterk gegroeid.
Hadiboh is een kuststad aan de noordkant van het eiland. De plaats ligt in het Laagland van Hadiboh, aan de voet van het Hajhirgebergte. De stad is door de hoofdweg RR01 verbonden met de luchthaven (12 kilometer westelijker) en de zeehaven (8 kilometer oostelijker) van het eiland. Rond de stad liggen de dorpen Adi, Adunawah, Kodih en Siirhin.
Ten oosten van de stad loopt de wadi Dineghen uit in de zee. Dwars door de stad loopt de wadi Manifo.
Hadiboh is een organisch gegroeide stad met een netwerk van ongeplaveide straten en veel vervallen gebouwen. Een aantal van deze straten nabij de kust heeft kleine winkeltjes, die gezamenlijk de soek (al-sūq) worden genoemd en gezamenlijk de enige markt op het eiland vormen. Dit is de historische kern van de stad. Hier bevinden zich ook de voormalige vervallen gebouwen van de sultans, die van de 15e tot de 20e eeuw over het eiland heersten. Sinds de jaren 1960 is de stad sterk gegroeid, maar door gebrek aan ruimtelijke ordening, welstand en bouwregels is dit niet op planmatige wijze gebeurd.
De stad bestaat uit drie buurten (hâra of wahda sikeniya) die vernoemd zijn naar historische gebeurtenissen in Jemen en worden bestuurd door een sjeik:
De vier windrichtingen van de stad (noord, oost, zuid, west) worden elk grofweg bewoond door inwoners uit dat deel van het achterland van de stad.
Met name in het oostelijke stadsdeel Musaqibhen trekken veel bewoners in het zomerseizoen uit de stad naar hun familie in de dorpen in het achterland gedurende de zogeheten haruf. In dit stadsdeel werd in de socialistische tijd een slijterij gevestigd voor de driedaagse nieuwjaarviering (Ras As Sana). Sommige bewoners maken er nog steeds de klandestiene alcoholische drank dibish (een soort bier).
De stad is zwaar vervuild met afval. Door de stad lopen vele geiten.
De naam Tamrida komt uit het Arabisch (mogelijk van het Arabische woord tamr voor dadels) en zou dan verwijzen naar het feit dat zich er vroeger veel dadelplantages bevonden. Deze naam werd vooral gebruikt door buitenstaanders.
Hadiboh is de lokale Socotrische naam en verwijst naar de jinniya (vrouwelijke beschermgeest) van de plaats waaraan een libatie werd geofferd alvorens bewoners iets aten of dronken dat van buiten het eiland kwam. Een etymologische verklaring stelt dat het woord opgemaakt is uit de stam Hadib, wat verwijst naar een plek waar men zich na vele bezoeken thuisvoelt. De naam Hadiboh werd vermoedelijk de officiële naam toen de stad in 1967 onderdeel werd van de Democratische Volksrepubliek Jemen.
Volgens een bedoeïense bron uit het binnenland werd de plaats door hen oorspronkelijk aangeduid als shirha ("dun bevolkt") en toen de plaats zicht tegen het einde van het sultanaat had uitgebreid als bilad ("land") om het te onderscheiden van de rest van de dorpen op het eiland. Vanaf de socialistische periode kwam ook bij hen Hadiboh als naam in zwang.
In 2008 werden stenen Oldowanwerktuigen ontdekt nabij Hadiboh, die wijzen op vroege bewoning.
Over de begintijd van de plaats zelf is weinig bekend. De plaats is ontstaan tussen twee wadi's: de grotere wadi Al-Rahaba in het westen en de kleinere wadi Hadiboh in het oosten. Het geheel was omringd door dadelbomen.
In 1480 werd Socotra onderdeel van het Sultanaat Mahra. In de 16e eeuw (tijdens het kortstondige Portugees-Socotra) was het oostelijker gelegen Suq de belangrijkste plaats van het eiland. Mogelijk vanaf het begin van de 17e eeuw werd Suq als hoofdstad van Socotra vervangen door Hadiboh. Veel inwoners verlieten toen mogelijk Suq omdat de inham aldaar steeds verder verzandde en daardoor niet meer bruikbaar was voor de scheepvaart. De eerste vermelding van de plaats was in 1607 toen William Finchof van de Britse Oost-Indische Compagnie er naar eigen zeggen de zoon van de sultan van Qishn van de Mahra-dynastie ontmoette. De sultan verbleef er slechts af en toe en gebruikte hef vooral als tijdelijke vluchtplaats voor politieke vijanden en om er jaarlijks belasting (vooral in de vorm van ghee) te innen van de eilanders, met name uit Hadiboh, Qadub en Qalansyah. De sultans lieten er daartoe een fort bouwen. Er was tevens een kadi gevestigd.
In 1615 beschreef de Britse zeevaarder Thomas Roe de plaats als volgt: “De koningsstad Tamara is gebouwd van kalk en steen, wit van kleur. De huizen zijn van bovenzijde plat en zien er mooi uit vanaf de weg. Maar als je er bent, is het er maar arm”.
De bovenlaag van de plaats bestond uit Arabische stammen uit Mahra, Aden en Hadramaut, waarbij de Mahrastammen het land bezaten en de dadelvelden beheerden en de andere Arabieren handel dreven met de bedoeïenen uit het binnenland. Enkele als 'Nubiërs' aangeduide bewoners (die ook tot de Arabieren werden gerekend) vervulden administratieve functies voor de sultan. De onderlaag van de bevolking bestond uit slaven (Muwalladin of imbu'ileh) die door handelaren uit Sohar waren ontvoerd van met name Zanzibar en als slaaf verkocht waren aan de Arabieren, die hen op dadelplantages en bij hun kudden te werk stelden en hen behandelden als leden van hun uitgebreide familie. In het geval van hongersnoden boden de bedoeïenen soms ook op deze wijze hun diensten aan om aan de honger te ontsnappen. De Muwalladin vormden in de 19e eeuw de meerderheid van de bevolking en vormen nog altijd een grote groep binnen Hadiboh, al beschouwen ze deze benaming tegenwoordig als pejoratief.
De plaats was onder de Mahra's onderverdeeld in hafa's (Arabisch: hâra); buurten rond de huizen van prominente Arabische personen, die vaak familie of vertegenwoordigers van de sultan waren. De belangrijkste waren:
Elke hafa bestond uit een familiegemeenschap met een aantal Afrikaanse bedienden. De gebouwen bestonden uit enkele stenen woningen van welgestelden omringd door krotten. In de plaats bevonden zich vier moskeeën die echter vooral een symbolische betekenis hadden daar de meeste bewoners geen toegang hadden tot de juiste religieuze instructies en feitelijk hun eigen syncretische praktijken bleven volgen.
Begin 19e eeuw kwamen de Britten, die in 1876 een protectoraatsverdrag over Socotra sloten met de sultans van Mahra. In 1886 werd het hele sultanaat een Brits protectoraat. De Britten hieven toen in aanwezigheid van de sultan de Britse vlag in Hadiboh. De sultans verwisselden Qishn voor Hawlaf aan de oostzijde van Hadiboh, om iets later op de vlucht voor de Omanieten zich bij de bedoeïenen in het binnenland te vestigen. Het hof van de sultan en de culturele elite van het sultanaat vestigden zich wel in Hadiboh. De Britten lieten de dagelijkse gang van zaken in handen van de sultan en besteedden verder nauwelijks aandacht aan de plaats.
Daarop volgden enkele decennia waarin overzeese immigranten uit de huidige landen Oman en de Verenigde Arabische Emiraten (vooral handelaren uit Ajman) zich in de plaats vestigden op zoek naar een beter leven door er naar parels te duiken en ghee te verhandelen naar Oost-Afrika en langs de Perzische Golf. Zij trouwden met Socotrische vrouwen, Toen de Emiraten rijk werden door de olie, leidde dit tot een tegenmigratie van Socotri naar Ajman, waar ze als dank voor het eerdere opvangen van zijn onderdanen door sultan Rashid bin Humaid Al Nuaimi III de status van 'meest geliefde immigranten' kregen. De meeste emigranten uit de Socotrische diaspora wonen dan ook in Ajman.
Een aantal handelaren deden vanuit Hadiboh aan ruilhandel met gebieden van buiten het eiland. Naar Muscat werden parels, oesters, drakenbloed, brandhout, ghee en aloë geëxporteerd in ruil voor dadels en rijst. Naar Zanzibar werd gezouten vis en ghee gebracht in ruil voor maïs (maqdere), kerosine en kokosnootolie, met Aden werden Socotrische tapijten en oesters geruild tegen rijst, suiker, meel en kleren en naar Bombay werden tapijten, ghee en drakenbloed geëxporteerd voor rijst, suiker en kleren. In de jaren 1950 zetten de sultan en een aantal andere handelaren met dhows een handelsroute op naar Mombassa, Oost-Afrika en de Golf. Daarvoor werd voor de sultan een douanepost geopend bij Port Da'an in de hafa Nujed.
Tegen het einde van de jaren 1960 stonden er ongeveer honderd gebouwen in de plaats en woonden er een kleine 500 mensen.
Toen Hadiboh en Socotra in 1967 onderdeel werden van het onafhankelijke socialistische Zuid-Jemen kwam een tweede golf van migranten naar de plaats en ontstond het zogeheten hadhara (stedelijk leven). De slavernij op het eiland werd vermoedelijk toen afgeschaft en het eiland werd geopend voor de rest van het land. De Jemenitische overheid vestigde er soldaten en overheidsfunctionarissen zoals leraren, politie en bestuurders, die deels werden opgevuld door Socotrische bewoners uit het oosten van het eiland. Ook werd begonnen met de aanleg van wegen naar andere delen van het eiland. Vanuit andere delen van Jemen en vanuit het achterland op het eiland vestigden steeds meer mensen zich in de plaats, die hierdoor geleidelijk veranderde van een landbouwdorp naar een stad. Bewoners vestigden zich in buurten die informeel vernoemd werden naar de gebieden of dorpen waar ze vandaan kwamen.
Begin jaren 1980 werd de plaats opgedeeld in drie buurten (hara's) om bestuurlijke zaken zoals verkiezingen beter te kunnen regelen. In deze periode werd ook de basis gelegd voor basisvoorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en nutsvoorzieningen.
In 1980 werd een landhervorming doorgevoerd waarbij de landerijen van de sultan en (relatief) rijkere families werden onteigend en tegen lage prijzen werden verkocht aan voorheen pastorale boeren uit met name het oosten en zuiden van het eiland. Met het socialisme kwam echter ook Arabisering: de Socotrische namen konden bij registratie voor geboortecertificaten, identiteitsbewijzen en andere registraties moeilijk worden vertaald naar het Arabisch en Arabisch werd als 'modern' gezien. Dus werden veel namen vertaald naar het Arabisch. De grote migratiegolf vanuit andere delen van het eiland leidde tot een grotere vraag naar woningen, waarvoor de omringende dadelvelden moesten wijken. Hadiboh groeide daarmee uit tot buiten haar oorspronkelijke grenzen. De meeste migranten kwamen uit het oosten van het eiland (onder andere uit Suq en het Momiplateau) en vestigden zich in het gebied Musaqibhen ten oosten van de wadi Hadiboh.
Onder socialistisch bestuur werd ook de ruilhandel vervangen door een op geld gebaseerde economie. Vanuit het vasteland stroomden producten het eiland binnen. De veeteelt en visserij werden gewijzigd van zelfvoorziening naar een op export gerichte economie en de productie van ghee verdween.
In 1994 werd Zuid-Jemen veroverd door het noorden en ontstond de Republiek Jemen. In 1998 werd Socotra aangewezen tot UNESCO-werelderfgoed. Wetenschappers, maar vooral toeristen werden hierdoor aangetrokken tot het tot dan toe gesloten eiland. Dit leidde tot een grote bouwgolf zoals de aanleg van een luchthaven, een zeehaven, uitbreiding van het wegennet en het elektriciteitsnet en de bouw van vooral scholen en klinieken. Ook werden er meerdere hotels gebouwd. De aanleg van een rondweg aan zuidzijde van de stad in deze periode had als effect dat het economische hart van de stad verschoof van het naar het beter bereikbare zuiden en westen. Hier verrezen nieuwe overheidsgebouwen en werden nieuwe huizen gebouwd door welgestelde Socotranen.
De bouwwoede leidde mede tot een nieuwe immigratiegolf. Soldaten uit het noorden vestigden kruidenierszaken in Hadiboh en begonnen te handelen in qat. Vervolgens kwamen mannelijke familieleden naar de plaats, gevolgd door gemarginaliseerden en opportunisten: overbodige boeren vanuit plaatsen als Ibb en Lahij, door de economische depressie werkloos geraakte en met de huizenbouwers meegekomen werklieden zoals metselaars, elekticiëns en loodgieters uit de steden in het binnenland zoals de hoofdstad Sanaa, handelaren uit bijvoorbeeld Ta'izz en vroegtijdige schoolverlaters die gelokt door geruchten over hoge lonen naar de stad kwamen en vervolgens winkelbedienden of rondtrekkende klusjesmannen werden. Het gevolg was dat bijna overal kruidenierszaken en allerhande winkeltjes ontstonden, die de plek van de lokale bevolking deels innamen in de detailhandel en dienstensector. De lokale bevolking behield echter haar monopolie op banen bij de overheid en opende daarnaast eigen winkeltjes. De noordelingen en lokale bevolking werden echter geen vrienden. Wel leidde het tot een massale stijging van de qatconsumptie door het maatschappelijk middenveld van de Socotri (er kwam een tweewekelijkse qatbazaar), wat door andere Socotri werd veroordeeld als een vorm van 'culturele afvalligheid'. Ook bracht de opening van het eiland een mogelijkheid voor islamitische dawa-zendelingen van het vasteland (zoals salafisten en Al-Islah) om bewoners aan te zetten tot een meer puriteinse manier van leven, waarbij Socotrische activiteiten zoals huwelijksceremoniën en poëzielezingen die traditioneel gezamenlijk werden gehouden, nu gescheiden worden gehouden voor mannen en vrouwen.
Socotrische remigranten vanuit het Arabische vasteland zorgden eveneens voor nieuwe investeringen, met name in vastgoed. In 2013 werd Hadiboh de hoofdplaats van het nieuwe gouvernement Socotra.
In 2015 keerde het tij. Eerst brak de Jemenitische Burgeroorlog uit, waarna Emiratische en Saoedische troepen naar het eiland kwamen in het kader van een gezamenlijke interventie. Vervolgens werd het eiland in 2015 en 2018 getroffen door twee cyclonen die grote verwoestingen aanrichtten. Beide landen startten hulpprogramma's voor de Socotri. Zo investeerden de Emiraten veel geld in de bouw van nieuwe ziekenhuizen, scholen, wegen en energiecentrales. Ook breidden ze de lucht- en zeehaven verder uit. Gebouwen in Hadiboh werden echter opgetrokken uit niet traditionele bouwmaterialen zoals cement en beton en het bouwen gebeurde zonder aandacht voor het milieu of installaties voor de verwerking van afval. Straten en gebouwen werden daarbij hernoemd naar namen van Emiratische leiders. Enkele decennia voor de burgeroorlog hadden de Emiraten al eens een plan gelanceerd bij de Jemenitische overheid om van Socotra een vakantieoord te maken. Dat plan was toen afgewezen. Nu zagen ze hun kans dit alsnog in praktijk te brengen, onder andere door een eigen lijnvlucht op te zetten naar het eiland buiten de regering om. Protesten van de lokale bevolking leidden tot niets. De Emiraten steunden in het geheim de Zuidelijke Overgangsraad, die in feite een nieuw Zuid-Jemen nastreefde. Ze breidden hun militaire activiteiten op het eiland steeds verder uit met militaire bases en spionage-installaties. De Saoedi's stuurden salafistische predikers en verhoogden eveneens hun militaire aanwezigheid op het eiland. In 2018 deden de Emiraten een eerste mislukte poging het eiland over te nemen, waarna in 2020 met hun steun de Overgangsraad de macht overnam op het eiland. In 2025 overspeelden ze echter hun hand toen ze de Overgangsraad steunden bij een invasie van het oosten van Jemen. Ze waren daarop gedwongen Jemen te verlaten.
De Saoedi's namen daarop in 2026 de macht over op het eiland. Dat jaar kondigden de Saoedi's een nieuw hulppakket aan, met de bouw van een ziekenhuis, een aantal scholen en een grote nieuwe moskee vernoemd naar de Saoedische koning Salman.