| Zijdetruffels | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Hymenogaster sublilacinus | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||
| Hymenogaster Vittad. (1831) | ||||||||||||
| ||||||||||||
Hymenogaster (zijdetruffels) is een geslacht van schimmels uit de familie Hymenogastraceae. Het geslacht werd in 1831 beschreven door de Italiaanse mycoloog Carlo Vittadini. Als typesoort wordt Hymenogaster citrinus vermeld.
Zijdetruffels zijn ondergronds groeiende buikzwammen met kleine, knolvormige vruchtlichamen. Ondanks hun Nederlandse naam behoren ze niet tot de echte truffels van het geslacht Tuber, die tot de zakjeszwammen behoren. Zijdetruffels zijn steeltjeszwammen en zijn evolutionair nauw verwant aan de vaalhoeden (Hebeloma).
De vruchtlichamen ontwikkelen zich ondergronds (hypogeïsch) en zijn doorgaans klein, rondachtig tot onregelmatig knolvormig. Ze zijn vaak ongeveer 1 tot 3 cm groot. De buitenzijde bestaat uit een dunne, meestal gladde tot enigszins zijdeachtige wand, het peridium. Afhankelijk van de soort en de rijpheid varieert de kleur van wit of crème tot geelachtig, grijsbruin of bruin.
Het binnenste, de gleba, is vlezig en bevat talrijke kleine, onregelmatige holten waarin de sporen worden gevormd. Bij jonge exemplaren is de gleba vaak licht gekleurd. Tijdens het rijpen kan deze via geelachtige of grijze tinten overgaan in bruin tot donkerbruin. De kleurontwikkeling verschilt per soort. De vruchtlichamen hebben geen duidelijk ontwikkelde hoed, steel of vrijliggende lamellen.
Veel zijdetruffels hebben een karakteristieke, enigszins radijsachtige geur, die in de mycologische literatuur ook wel de Hymenogaster-geur wordt genoemd. Deze geur is vooral duidelijk bij de witte zijdetruffel (Hymenogaster tener) en verwante soorten. Bij de gele zijdetruffel (H. luteus) en de olijfbruine zijdetruffel (H. olivaceus) komen daarnaast zoetige geurcomponenten voor.
De geur is afhankelijk van de rijpheid. Jonge vruchtlichamen kunnen vrijwel geurloos zijn, terwijl volledig rijpe exemplaren doorgaans sterker ruiken.
De basidiën zijn meestal knotsvormig tot cilindrisch en dragen, afhankelijk van de soort, één tot vier sporen. Bij volledig rijpe vruchtlichamen kunnen de basidiën grotendeels zijn samengevallen, waardoor ze moeilijk waarneembaar zijn.
De basidiosporen zijn doorgaans ellipsoïd, eivormig, spoelvormig of citroenvormig. Ze zijn bij rijpheid veelal geelbruin tot donkerbruin. De sporenwand kan glad zijn, maar is bij veel soorten voorzien van wratten, plooien, stekeltjes of onregelmatige ribben. Bij sommige soorten is een afzonderlijke buitenste sporenwand (perisporium) aanwezig. Ook de vorm en grootte van de apicale uitstulping en de aanhechtingsplaats van het sterigma kunnen taxonomisch belangrijke kenmerken zijn.
De sporenafmetingen lopen sterk uiteen tussen de soorten. Voor een betrouwbare determinatie zijn vooral de afmetingen, vorm, wanddikte en ornamentatie van de sporen van belang. Bij nauw verwante soorten kunnen de microscopische kenmerken sterk overlappen. Daarom wordt voor de afgrenzing van soorten ook gebruikgemaakt van moleculair onderzoek, met name van het ITS-gebied van het ribosomale DNA.
Zijdetruffels leven als ectomycorrhizavormers in symbiose met bomen. Het mycelium vormt een verbinding met de boomwortels, waarbij de schimmel mineralen en water aan de boom levert en zelf organische koolstofverbindingen ontvangt.
Soorten van het geslacht kunnen onder uiteenlopende loof- en naaldbomen voorkomen, waaronder eik (Quercus), beuk (Fagus), hazelaar (Corylus), berk (Betula), populier (Populus), linde (Tilia) en den (Pinus). De mate van gastheerspecificiteit verschilt per soort.
De vruchtlichamen groeien doorgaans in de bodem, vaak in de humuslaag of direct daaronder. In Nederland worden verschillende soorten vooral aangetroffen in loofbossen, parken en lanen, geregeld op klei- of leemhoudende bodems. Zo groeit de gewone zijdetruffel (H. vulgaris) voornamelijk bij eik, beuk en hazelaar, bij voorkeur op kleihoudende grond.
Doordat de vruchtlichamen ondergronds groeien, spelen dieren een belangrijke rol bij de verspreiding van de sporen. Diverse zoogdieren eten ondergrondse zwammen en kunnen de sporen na passage door het spijsverteringskanaal verspreiden.
Het geslacht Hymenogaster werd in 1831 door Carlo Vittadini beschreven. De taxonomische afgrenzing van de soorten is lange tijd voornamelijk gebaseerd geweest op de uiterlijke kenmerken van de vruchtlichamen en de sporen.
Moleculair onderzoek heeft aangetoond dat verschillende traditioneel onderscheiden soorten nauw verwant zijn en dat de variatie binnen sommige soorten groter is dan aanvankelijk werd aangenomen. Bij onder meer Hymenogaster citrinus en H. griseus kunnen verschillen in uiterlijk samenhangen met de rijpheid van de vruchtlichamen en de omstandigheden waaronder ze groeien.
De taxonomische opvattingen verschillen tussen databanken. Zo behandelt Species Fungorum onder meer Hymenogaster populetorum, H. vulgaris en H. hessei als synoniemen van H. griseus, terwijl deze namen in de Nederlandse NDFF Verspreidingsatlas afzonderlijk worden vermeld.
De onderstaande lijst bevat de 74 soortnamen uit een overzicht van Index Fungorum uit november 2023. Het betreft geen volledige actuele lijst van geaccepteerde soorten. Sindsdien zijn nieuwe soorten beschreven, waaronder vijf soorten uit China in 2024. Bovendien worden verschillende oudere namen tegenwoordig als synoniem van andere soorten beschouwd.
De Nederlandse namen in de tabel zijn afkomstig uit de NDFF Verspreidingsatlas. Niet alle soorten hebben een vastgestelde Nederlandse naam.
Daarnaast vermeldt de NDFF Verspreidingsatlas Hymenogaster populetorum onder de Nederlandse naam populierzijdetruffel. Species Fungorum beschouwt deze naam als een synoniem van Hymenogaster griseus.
Het determineren van zijdetruffels is vaak moeilijk, omdat verschillende soorten sterk op elkaar lijken en kenmerken kunnen veranderen tijdens het rijpen van de vruchtlichamen.
Voor het onderscheiden van soorten worden vooral de kleur en structuur van het peridium, de kleur en bouw van de gleba, de geur en de microscopische eigenschappen van de sporen onderzocht. Vooral sporenornamentatie, sporenafmetingen en de aanwezigheid van een perisporium zijn van belang.
Bij de witte zijdetruffel (Hymenogaster tener) zijn de sporen bijvoorbeeld citroenvormig en meten ze volgens de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe ongeveer 12–17 × 8,5–12 µm. De sporenwand is sterk wrattig tot gerimpeld.
Omdat morfologische kenmerken tussen nauw verwante soorten kunnen overlappen, kan DNA-onderzoek noodzakelijk zijn om een determinatie te bevestigen.