| Sterspoorvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe asterospora Quél. (1879) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De sterspoorvezelkop (Inocybe asterospora) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De wetenschappelijke naam werd door de Franse mycoloog Lucien Quélet gepubliceerd in 1879.
De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen. In Nederland wordt hij vooral aangetroffen bij eik (Quercus), maar ook bij beuk (Fagus) en linde (Tilia). Hij groeit voornamelijk in loofbossen en met bomen beplante wegbermen, op kalkhoudende klei en zand.
De hoed heeft een diameter tot ongeveer 7 cm. Hij is aanvankelijk kegelvormig tot klokvormig en spreidt later uit, meestal met een duidelijke stompe tot enigszins spitse umbo. Het oppervlak is fijn radiaal vezelig en scheurt bij oudere exemplaren vaak sterk radiaal open, waardoor het lichtere vlees eronder zichtbaar kan worden. De kleur varieert van okerbruin en kastanjebruin tot roodbruin, waarbij het centrum meestal donkerder is.
De lamellen zijn smal aangehecht tot enigszins uitgebucht aangehecht. Ze zijn aanvankelijk lichtgrijs tot grijsbeige en worden bij het rijpen bruinachtig. De lamelsnede is fijn bewimperd en doorgaans lichter van kleur.
De steel is ongeveer 5–7 cm lang en 5–10 mm dik. Hij is min of meer cilindrisch en eindigt aan de basis in een opvallende, scherp gerande knol. De steel is over de gehele lengte fijn berijpt. Hij is bovenaan bleek- tot roodbruin en kan naar de basis donkerder roodbruin worden; de knol zelf is vaak lichter.
Het vlees is witachtig in de hoed en doorgaans bruinachtig tot roodbruin in de steel. De geur wordt beschreven als spermatisch tot aards.
De basidiosporen zijn bruin en opvallend knobbelig, met sterk uitstekende knobbels waardoor ze in bovenaanzicht een karakteristieke stervorm krijgen. Ze meten ongeveer (9–)9,6–12,4(–13,5) × 8,2–10,0 µm. Deze stervormige sporen behoren tot de belangrijkste determinatiekenmerken van de soort.
De basidia zijn knotsvormig en meestal viersporig. De cheilocystidia en pleurocystidia zijn dikwandig (metuloïd), vaak spoelvormig tot buikig en dragen aan de top kristallen. De cystiden kunnen naar de top toe een wanddikte van ongeveer 3 µm bereiken. Ook op de steel komen caulocystidia voor, wat macroscopisch overeenkomt met de fijne berijping over de gehele steel.
De sterspoorvezelkop is een ectomycorrhizavormer. Volgens de Nederlandse standaardlijst is hij vooral verbonden met Quercus en heeft hij een voorkeur voor loofbos op rijke, vaak humusarme kleigrond. Daarnaast komt hij voor op kalkhoudend zand en in met loofbomen beplante bermen. Ook uit andere delen van Europa is de soort bekend van kalkrijke loofbossen, onder meer bij eiken en beuken.
De sterspoorvezelkop geldt als een giftige paddenstoel. Voor Inocybe asterospora zijn vergiftigingen beschreven en de soort wordt in de toxicologische literatuur in verband gebracht met muscarine, het gif dat verantwoordelijk is voor het muscarinesyndroom.
De soort is van oorsprong beschreven uit Europa en is ook uit andere delen van de wereld gemeld. Omdat binnen de groep rond I. asterospora meerdere sterk gelijkende soorten voorkomen, moeten oudere meldingen buiten Europa voorzichtig worden geïnterpreteerd.
In Nederland geldt de sterspoorvezelkop tegenwoordig als 'algemeen', gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 staat de soort echter in de categorie 'Kwetsbaar'. De NDFF Verspreidingsatlas vermeldt daarnaast negatieve effecten van verzuring en vermesting.