| Goudgele vezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe aurea Huijsman (1955) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Astrosporina aurea | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De goudgele vezelkop (Inocybe aurea) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza en wordt in Nederland vooral aangetroffen bij dennen (Pinus) op voedsel- en humusarme zandgrond. Het is een zeer zeldzame soort die op de Nederlandse Rode Lijst staat als ernstig bedreigd.
De soort werd in 1955 beschreven door de Nederlandse mycoloog Hendrik Sijbert Cornelis Huijsman. De oorspronkelijke beschrijving is gebaseerd op materiaal uit een droog dennenbos bij Doetinchem.
De hoed heeft een diameter van ongeveer 2–5 cm, soms tot 7 cm. Hij is aanvankelijk kegelvormig, wordt later gewelfd tot vlakgewelfd en kan uiteindelijk uitgespreid zijn. Meestal is een centrale bult aanwezig, die met het ouder worden spits kan worden. De kleur is geel tot goudgeel, vaak lichter naar de rand toe, maar soms met donkerder okergele tinten. Het oppervlak is droog, fijn radiaalvezelig en soms licht schubbig. De hoedrand kan bij oudere exemplaren inscheuren. Bij jonge vruchtlichamen kan het centrum bedekt zijn met resten van een wit velum.
De lamellen zijn aangehecht aan de steel en staan betrekkelijk ver uiteen. Ze zijn aanvankelijk witachtig, soms met een roze zweem, en verkleuren bij rijping naar okerbruin. Tussen de volledige lamellen bevinden zich kortere lamellen.
De steel is ongeveer 15–75 mm lang en 2–6 mm dik. Hij is cilindrisch, soms enigszins gebogen, en heeft geen duidelijk verdikte of knolvormige basis. Aanvankelijk is de steel witachtig, maar later kan hij een gelige tint krijgen. Het oppervlak is overlangs vezelig en zijdeachtig. Jonge exemplaren kunnen resten van een fijne, spinnenwebachtige cortina dragen.
Het vlees is witachtig, dun in de hoed en vezelig in de steel. Bij doorsnijden treedt doorgaans geen duidelijke kleurverandering op. De geur werd bij een onderzochte Spaanse collectie als zwak en onopvallend beschreven, zonder uitgesproken spermatische geur.
De basidiosporen zijn onregelmatig hoekig tot knobbelig en bezitten een duidelijk apiculus. Bij een in 2022 beschreven collectie bedroegen de sporenmaten (7,6) 8,6–10,3 (10,7) × (4,3) 4,5–5,8 (6,5) µm, met een Q-getal van (1,3) 1,6–2,1 (2,4).
De basidiën zijn knotsvormig, hyalien en viersporig. Bij dezelfde collectie maten ze 41,1–43,5 × 8,8–9,8(9,9) µm.
De cheilocystiden en pleurocystiden zijn onderling sterk gelijkend, knotsvormig en hyalien. Soms zijn aan de top kristallen aanwezig. De beschreven cystiden meten 64,0–74,9 × 15,8–20,6 µm en hebben relatief dunne wanden van 0,5–1,0 µm. Duidelijke caulocystiden werden bij deze collectie niet waargenomen, maar aan de steeltop waren wel cystideachtige haren aanwezig.
De goudgele vezelkop vormt ectomycorrhiza met bomen en struiken. In Nederland wordt hij vooral aangetroffen bij dennen in droge, voedselarme naaldbossen op humusarm zand. De soort komt daarnaast voor in schrale, mosrijke vegetaties.
In Drenthe werd de soort onder meer gevonden in een mosrijk gazon op zure, matig vochtige zandgrond bij oude eiken en beuken. Een andere vindplaats lag bij oude grove dennen (Pinus sylvestris) en jonge kruipwilgen (Salix repens) en geoorde wilgen (Salix aurita).
Buiten Nederland is de soort ook bekend uit naaldbossen op venige grond en uit arctische en alpiene dwergwilgvegetaties boven de boomgrens. In de Schotse Hooglanden is hij aangetroffen bij kruidwilg (Salix herbacea).
Een onderzoek uit Spanje beschreef groeiplaatsen in een periodiek overstroomd loofbos met onder andere zomereik (Quercus robur), zachte berk (Betula pubescens) en sporkehout (Frangula alnus). De bodem had daar een gemeten pH van 5,6.
De goudgele vezelkop komt voor in Europa, zowel in laaggelegen gebieden als in bergstreken. De soort is onder meer bekend uit Nederland, Duitsland, Scandinavië, Groot-Brittannië en Spanje.
In Nederland is de soort zeer zeldzaam en zijn de vindplaatsen verspreid over het land. Historische vondsten zijn onder andere bekend uit de omgeving van Doetinchem, Gorssel, Kampen, Bussum en Breukelen. De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven op basis van Nederlands materiaal.
In Drenthe werd de goudgele vezelkop in 2000 gevonden bij Assen en in 2001 bij de Anserdennen. De vindplaats bij Assen werd in 2004 opnieuw bevestigd, maar bij latere bezoeken niet meer teruggevonden.
In 2022 werd opnieuw een vondst uit Drenthe gemeld, afkomstig uit Boschoord.
De goudgele vezelkop staat op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 in de categorie 'ernstig bedreigd'. De soort is gevoelig voor vermesting en verzuring. Ook ophoping van strooisel vormt een bedreiging voor zijn voedselarme groeiplaatsen.