| Gladde knolvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gladde knolvezelkop | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inosperma cookei (Bres.) Matheny & Esteve-Rav. (2019) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe cookei | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De gladde knolvezelkop (Inosperma cookei) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. Hij vormt ectomycorrhiza met loofbomen, voornamelijk eik (Quercus), maar ook met beuk (Fagus sylvatica), linde (Tilia) en hazelaar (Corylus avellana). De soort groeit in bossen, lanen, wegbermen en parken, vooral op voedsel- en basenrijke grond.
Kenmerkend zijn de strogele tot honinggele, vrijwel gladde hoed, de knolvormige steelvoet en de honingachtige geur, die bij indrogen sterker kan worden.
De soort werd in 1892 door de Italiaanse mycoloog Giacomo Bresadola beschreven als Inocybe cookei. In 2019 werd hij door Patrick Brandon Matheny en Fernando Esteve-Raventós overgebracht naar het geslacht Inosperma.
De oorspronkelijk als afzonderlijke soort beschreven Inocybe kuthanii werd door Thom Kuyper in 1986 behandeld als een variëteit van Inocybe cookei. Deze vorm onderscheidt zich door een meer oranjebruine tot koperrode hoed. Moleculair onderzoek, gepubliceerd in 2026, bevestigde dat Inosperma kuthanii een synoniem is van Inosperma cookei. DNA-sequenties van het isotypemateriaal van I. kuthanii bleken identiek aan die van I. cookei.
De hoed heeft een diameter van 2 tot 6 cm. Hij is aanvankelijk kegelvormig tot klokvormig, later gewelfd tot uitgespreid, doorgaans met een duidelijke, stompe centrale bult (umbo). Het oppervlak is vrijwel glad tot fijn radiaalvezelig, vooral bij jonge exemplaren. Bij oudere vruchtlichamen kan het oppervlak naar de rand toe straalvormig openbreken. De kleur varieert van strogeel en honinggeel tot okergeel, waarbij het centrum vaak iets donkerder is. Jonge exemplaren kunnen witachtige resten van het velum dragen.
De lamellen staan tamelijk dicht opeen en zijn smal aangehecht tot iets uitgebocht aan de steel. Aanvankelijk zijn ze witachtig tot bleek grijsbeige. Tijdens de rijping verkleuren ze via okergeel naar geelbruin of bruin, soms met een olijfkleurige tint. De lamelsnede blijft doorgaans lichter en is fijn gewimperd.
De steel is 25–95 mm lang en 3–9 mm dik, cilindrisch en witachtig tot bleekgeel. Met het ouder worden kan hij sterker geelachtig of okerkleurig worden. Aan de top is hij fijn vlokkig, verder naar beneden vrijwel glad tot zwak overlangs vezelig.
De steelbasis is knotsvormig tot duidelijk knolvormig verdikt. De knol kan een diameter van 16 mm bereiken en soms opvallend gerand zijn. De knol zelf blijft doorgaans witachtig. Een blijvende ring ontbreekt.
Het vlees is witachtig tot lichtgeel. De geur is karakteristiek honingachtig en wordt vaak duidelijker bij het indrogen. Bij doorsnijden kan een minder aangename, zoetige geur ontstaan, die door Kuyper werd vergeleken met die van de groene knolamaniet (Amanita phalloides).
De sporen zijn glad, ellipsoïde tot duidelijk boonvormig (phaseoliform), met een karakteristieke indeuking aan de binnenzijde. Ze meten 7–9 × 4–5(–5,5) µm, met gemiddelde afmetingen van 7,6–8,4 × 4,5–4,9 µm. De Q-waarde varieert doorgaans van 1,5 tot 1,9.
De basidiën zijn 22–32 × 7–9 µm groot en viersporig. De cheilocystiden zijn breed knotsvormig tot peervormig, dunwandig en kleurloos. Ze meten (22–)28–42 × 11–18(–22) µm. De pleurocystiden ontbreken. Aan de bovenkant van de steel komen enkele caulocystiden voor, die in vorm op de cheilocystiden lijken.
De gladde knolvezelkop kan worden verward met verschillende andere vezelkoppen.
De combinatie van de geelachtige hoed, de vaak duidelijke steelknol, de honinggeur en de relatief kleine, boonvormige sporen is van belang voor de determinatie.
De gladde knolvezelkop leeft als ectomycorrhizavormer in symbiose met bomen. Hij wordt vooral aangetroffen bij eiken, maar kan ook voorkomen bij beuken, lindes, hazelaars en tamme kastanjes. Ook zijn associaties met naaldbomen vermeld.
De soort groeit voornamelijk in lanen, parken, plantsoenen, loofbossen en gemengde bossen, vaak op beschaduwde plaatsen onder volgroeide bomen. Hij heeft een voorkeur voor voedsel- en basenrijke bodems, waaronder klei en leem.
In Drenthe is hij vooral aangetroffen in lanen en parken. Bij onderzoek naar de geassocieerde bomen werd de soort het vaakst bij eik (67%) gevonden, gevolgd door linde (22%) en beuk (11%).
De vruchtlichamen verschijnen voornamelijk van juli tot en met oktober, met de meeste vondsten in de late zomer en herfst.
De gladde knolvezelkop is wijdverspreid in Europa en is ook uit Noord-Amerika vermeld.
In Nederland is de gladde knolvezelkop volgens de NMV Verspreidingsatlas 'vrij zeldzaam'. Hij is uit verschillende delen van het land bekend, waaronder de hogere zandgronden, laagveengebieden, kleistreken, kalkrijke duinen en Zuid-Limburg. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 in de categorie thans niet bedreigd.
De NMV vermeldt dat microscopisch onderzoek noodzakelijk is voor een zekere determinatie.