| Blozende knolvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Blozende knolvezelkop | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe godeyi Gillet (1876) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Inocybe rubescens | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De blozende knolvezelkop (Inocybe godeyi) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met loofbomen, waaronder Fagus en eik (Quercus), voornamelijk op kalkhoudende bodems. Kenmerkend zijn de aanvankelijk bleke, later rood verkleurende vruchtlichamen, de duidelijk gerande knol aan de steelbasis en de gladde sporen.
De hoed heeft een diameter tot ongeveer 4 cm. Hij is aanvankelijk halfbolvormig tot kegelvormig en wordt later gewelfd tot uitgespreid, doorgaans met een duidelijke umbo (centrale bult). De kleur is aanvankelijk witachtig, crème of bleek okergeel en wordt later okerbruin tot oranjebruin. Bij beschadiging en veroudering ontstaan roze tot wijnrode verkleuringen, die zich uiteindelijk over grote delen van de hoed kunnen uitbreiden. Het oppervlak is fijn radiaal vezelig en kan bij oudere exemplaren vanaf de rand inscheuren.
De lamellen staan vrij dicht opeen en zijn smal aangehecht aan de steel, soms iets uitgerand. Ze zijn aanvankelijk witachtig tot grijsachtig en verkleuren bij rijping naar okerbruin of kaneelbruin. Bij aanraking kunnen ze roodachtige vlekken ontwikkelen. De lamelsnede is fijn gewimperd en vaak lichter dan de lamelvlakken.
De steel is slank, cilindrisch en aanvankelijk witachtig. Later ontstaan oranjeachtige, roze tot roodbruine verkleuringen, vooral na aanraking of beschadiging. De steel is over de gehele lengte fijn berijpt door de aanwezigheid van caulocystidia. Aan de basis bevindt zich een duidelijk ontwikkelde, gerande knol, die vaak enigszins afgeplat of scheefstaand is. Deze knol vormt een belangrijk determinatiekenmerk.
Het vlees is aanvankelijk witachtig, maar verkleurt bij doorsnijden of beschadiging geleidelijk oranjeachtig tot roodachtig, vooral in de steel. De geur wordt uiteenlopend beschreven als spermatisch, aards, enigszins zuurachtig of muf.
De sporenafdruk is tabaksbruin.
De sporen zijn glad, ellipsoïde tot amandelvormig en hebben vaak een enigszins kegelvormig toegespitste top. Ze meten ongeveer 9–12 × 5–7 µm. De basidiën zijn doorgaans viersporig.
De pleurocystiden en cheilocystiden zijn spoelvormig tot buikig-spoelvormig en hebben verdikte wanden. De pleurocystiden meten ongeveer 50–70 × 15–25 µm, met een wanddikte van ongeveer 1–2 µm. Aan de top bevinden zich vaak kristallen. De cheilocystiden zijn vergelijkbaar van vorm en afmetingen. Daarnaast komen dunwandige, knotsvormige tot peervormige paracystidia voor.
De caulocystiden komen over de gehele lengte van de steel voor. Ze lijken op de hymeniale cystiden, maar kunnen vooral aan de steelbasis kleiner of onregelmatiger van vorm zijn. De combinatie van gladde sporen, dikwandige cystidia met kristallen en caulocystiden over de gehele steel is kenmerkend voor deze soort.
De blozende knolvezelkop groeit op de bodem in loofbossen, voornamelijk bij beuken en eiken. Hij heeft een voorkeur voor kalkhoudende grond, waaronder kalkrijke leem- en kleibodems. De vruchtlichamen groeien afzonderlijk of in kleine groepen. Ze verschijnen voornamelijk van de late lente tot in de herfst.
De blozende knolvezelkop is bekend uit verschillende Europese landen, waaronder Nederland, Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk.
In Nederland is de soort zeer zeldzaam. Hij staat op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 in de categorie ernstig bedreigd.
De blozende knolvezelkop kan worden verward met andere rood verkleurende vezelkoppen:
De soort werd beschreven door de Franse mycoloog Claude Casimir Gillet. De soortaanduiding godeyi verwijst naar de Franse botanicus en mycoloog Louis-Luc Godey (1813–1873).
Volgens Species Fungorum worden onder meer de volgende namen als synoniemen beschouwd:
De blozende knolvezelkop is giftig en behoort tot de vezelkoppen die in verband worden gebracht met muscarinevergiftiging. De soort is niet geschikt voor consumptie.