| Smalplaatviltkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Mallocybe perbrevis (Weinm.) Matheny & Esteve-Rav. (2019) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De smalplaatviltkop (Mallocybe perbrevis) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort werd lange tijd tot het geslacht Inocybe gerekend onder de naam Inocybe perbrevis. De huidige combinatie in Mallocybe werd in 2019 gepubliceerd door P. Brandon Matheny en Fernando Esteve-Raventós.
De smalplaatviltkop groeit op de grond en vormt ectomycorrhiza met loofbomen en -struiken. In Nederland wordt hij vooral opgegeven uit loofbos op voedsel- of mineraalrijk zand.
De soort werd in 1836 door Johann Anton Weinmann beschreven als Agaricus perbrevis. Claude Casimir Gillet plaatste hem later in het geslacht Inocybe als Inocybe perbrevis. In een fylogenetische herziening van de familie Inocybaceae werd het vroegere ondergeslacht Mallocybe tot zelfstandig geslacht verheven. Matheny en Esteve-Raventós maakten daarbij de nieuwe combinatie Mallocybe perbrevis.
De interpretatie van de naam perbrevis is echter niet geheel probleemloos. In de literatuur is de naam voor verschillende opvattingen binnen de Inocybe dulcamara-groep gebruikt. Ook de Nederlandse Verspreidingsatlas behandelt de soort als onderdeel van een groep nauw verwante en moeilijk te onderscheiden viltkoppen. Een moderne studie van Mallocybe wees erop dat de beschrijvingen van M. perbrevis door Heim en Stangl sterke overeenkomsten vertonen met Mallocybe fulviceps. Voor een definitieve afgrenzing zijn moleculaire vergelijkingen van betrouwbaar geïdentificeerd Europees materiaal wenselijk.
De smalplaatviltkop is een kleine, tamelijk gedrongen viltkop. De hoed is aanvankelijk gewelfd en kan een lage, stompe umbo bezitten. Het oppervlak is vezelig tot fijn viltig of vezelig-schubbig. Dit relatief vezelige en weinig grofschubbige hoedoppervlak is een van de kenmerken die in de literatuur voor M. perbrevis worden genoemd.
De lamellen zijn aangehecht en zijn in de traditionele opvatting van de soort opvallend smal en niet of nauwelijks buikig. De Nederlandse naam smalplaatviltkop verwijst naar dit kenmerk. De steel is relatief kort, bleek tot bruinachtig en vezelig.
De soort lijkt macroscopisch sterk op andere soorten uit het Mallocybe dulcamara-complex. Alleen een veldwaarneming is daarom doorgaans onvoldoende voor een zekere determinatie.
De sporen zijn glad en langwerpig, cilindrisch tot eivormig. Voor M. perbrevis zijn afmetingen van circa 7,5–12 × 5–6 µm opgegeven.
Zoals kenmerkend is voor het geslacht Mallocybe ontbreken pleurocystidia. Cheilocystidia zijn daarentegen aanwezig; bij veel soorten van het geslacht zijn deze betrekkelijk kort en dunwandig. Ook komen karakteristieke zogenoemde necropigmenterende basidiën voor: oude basidiën kunnen ineenstorten en zich met oker- tot bruinachtig pigment vullen.
Voor een betrouwbare determinatie van de smalplaatviltkop verlangt de NDFF Verspreidingsatlas microscopische controle van onder meer sporen en cystiden.
De smalplaatviltkop is een ectomycorrhizavormende soort. Hij leeft in symbiose met de wortels van loofbomen en -struiken en vormt zijn vruchtlichamen op de grond. In Nederland wordt als karakteristiek biotoop loofbos op rijk zand vermeld.
Het geslacht Mallocybe als geheel bestaat uit ectomycorrhizavormende soorten die met uiteenlopende bomen en struiken kunnen samenleven. Veel soorten hebben een viltig of schubbig hoedoppervlak, gladde sporen en aangehechte tot enigszins aflopende lamellen.
De smalplaatviltkop behoort tot een complex van soorten rond de gewone viltkop dat traditioneel als de Inocybe dulcamara-groep werd aangeduid. In Nederland worden onder andere de geringde viltkop (Mallocybe agardhii), bruinsnedeviltkop (M. fuscomarginata), duinviltkop (M. heimii), M. leucoblema en M. perbrevis tot dit complex gerekend. Wanneer deze taxa niet betrouwbaar van elkaar kunnen worden onderscheiden, adviseert de NDFF Verspreidingsatlas een vondst als Inocybe dulcamara sensu lato op te geven.
M. perbrevis wordt in de traditionele opvatting vooral onderscheiden door de combinatie van een relatief glad tot vezelig hoedoppervlak, smalle en niet-buikige lamellen en gladde cilindrische tot eivormige sporen.
De smalplaatviltkop is uit Europa bekend. De oorspronkelijke naam Agaricus perbrevis werd door Weinmann in 1836 gepubliceerd op basis van materiaal uit het noordwesten van het toenmalige Russische Rijk. Vanwege de verschillende historische interpretaties van de naam moeten oudere verspreidingsgegevens echter met enige voorzichtigheid worden gebruikt.
In Nederland is de smalplaatviltkop 'zeer zeldzaam'. De NDFF deelt hem op basis van gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023 in deze zeldzaamheidsklasse in. In het oudere Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 werden alleen vondsten uit Oostelijk Flevoland en Eindhoven genoemd.