Grootsporige vezelkop

Grootsporige vezelkop
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Inocybaceae
Geslacht:Inocybe
Soort
Inocybe similis
Bres. (1905)
Synoniemen

Inocybe vulpinella Bruyl.

Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De grootsporige vezelkop (Inocybe similis) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. De soort vormt ectomycorrhiza met bomen en struiken, vooral met soorten uit de wilgenfamilie (Salicaceae), waaronder wilg (Salix) en populier (Populus). In Nederland wordt de soort vooral aangetroffen op kalkhoudend zand of klei bij wilgen en populieren.

De wetenschappelijke naam werd in 1905 door de Italiaanse mycoloog Giacomo Bresadola gepubliceerd in Annales Mycologici. Moleculair onderzoek plaatst de soort binnen Inocybe in de sectie Marginatae.

Taxonomie

Inocybe similis werd lange tijd als nauw verwant aan, maar verschillend van, Inocybe vulpinella beschouwd. Verschillen in onder meer de grootte en vorm van de sporen en de verspreiding van caulocystiden over de steel werden gebruikt om beide soorten te onderscheiden. Onderzoek aan de type-exemplaren en recente collecties, gecombineerd met DNA-gegevens van de ITS- en LSU-regio's, liet echter zien dat deze kenmerken sterk variabel zijn en dat beide taxa genetisch niet als afzonderlijke soorten kunnen worden onderscheiden. In een taxonomische revisie uit 2023 werd I. vulpinella daarom als synoniem van I. similis behandeld.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed is ongeveer 20–35 mm breed. Hij is aanvankelijk klokvormig tot halfbolvormig, wordt later gewelfd en uiteindelijk vlakgewelfd en bezit doorgaans een brede, lage umbo. Het oppervlak is droog en dof en varieert van fijn wollig-vezelig tot grof schubbig. Vaak zijn hoekige of franjeachtige schubjes en duidelijke vezelbundels aanwezig. De kleur varieert van oker en geelbruin tot kaneelbruin. Bij jonge exemplaren kan vooral het centrum door resten van een grijswit velum lichter gekleurd zijn. De hoedrand is niet of nauwelijks gestreept.

Lamellen

De lamellen staan matig dicht opeen en zijn aangehecht tot enigszins uitgebocht aangehecht. Ze zijn jong bleek crème tot okerkleurig en worden bij rijping bruin tot olijfbruin. De lamelsnede is fijn gewimperd en blijft doorgaans lichter of witachtig.

Steel

De steel meet ongeveer 50–65 × 4–5 mm. Hij is stevig en gevuld en is gelijkmatig dik tot enigszins verdikt aan de basis; soms is een kleine raapvormige knol aanwezig. De steel is jong witachtig en kan later in het midden okerkleurig tot bruinachtig worden. Het oppervlak is doorgaans over vrijwel de gehele lengte pruïneus (berijpt). In het onderste gedeelte kan deze berijping schaars of afwezig lijken doordat de cystiden door contact met zand zijn afgesleten. Een cortina werd bij modern onderzochte collecties niet waargenomen.

Vlees

Het vlees is stevig en vezelig, witachtig in de hoed en witachtig tot geelachtig in de steel. Een uitgesproken geur ontbreekt doorgaans.

Microscopische kenmerken

De basidiosporen zijn relatief groot, glad en meestal langwerpig tot enigszins boonvormig. Soms is de omtrek zwak hoekig. In een moderne revisie werden maten gevonden van (10,5–)11,4–13,6(–16,0) × (6,0–)6,6–7,7(–9,0) µm, met gemiddelde waarden rond 12,5 × 7,1 µm. De Q-waarde ligt meestal tussen ongeveer 1,6 en 1,9, met een gemiddelde rond 1,76.

De basidiën zijn knotsvormig, 30–45 × 10–18 µm groot en overwegend viersporig. De pleurocystiden zijn 45–110 × 14–28 µm groot. Ze zijn dikwandig en zeer variabel van vorm: onder meer subcilindrisch, smal utriform, spoelvormig of knotsvormig. De wand is meestal ongeveer 2–3 µm dik en kan aan de top plaatselijk ongeveer 5,5 µm bereiken. Aan de top bevinden zich doorgaans kristallen.

De cheilocystiden meten ongeveer 50–70 × 17–25 µm en lijken qua vorm op de pleurocystiden. Daarnaast zijn talrijke knots- tot peervormige paracystiden aanwezig. De caulocystiden kunnen over de gehele steel voorkomen of vooral tot de bovenste helft beperkt zijn; hun verspreiding blijkt van collectie tot collectie te variëren. Dit kenmerk is daardoor minder geschikt om I. similis van nauw verwante taxa te onderscheiden dan vroeger werd aangenomen.

De wanden van de hymeniale cystiden kunnen in KOH helder geel tot vrijwel kleurloos zijn. Gespen zijn in alle weefsels aanwezig.

Ecologie

De grootsporige vezelkop is een ectomycorrhizavormende soort van voornamelijk zandige, vaak kalkrijke bodems. Hij is onder meer bekend van zandige en grindrijke rivieroevers, alluviale terreinen en kustgebieden. Moderne collecties zijn aangetroffen bij soorten van de geslachten Salix, Populus en Pinus.

De oorspronkelijke collectie waarop Bresadola de soort beschreef, werd bij Trente in Italië gevonden onder zwarte populier (Populus nigra). Latere Europese collecties zijn onder meer afkomstig van rivieroevers met wilgen en van zandige terreinen met populieren en dennen.

In Nederland vermeldt de NDFF Verspreidingsatlas als belangrijkste ecologie ectomycorrhiza met wilgen en populieren op kalkhoudend zand of klei. De soort wordt er onder meer gerekend tot paddenstoelen van rijkere zandgronden in loofbos.

Verspreiding

Inocybe similis is een zeldzame soort die oorspronkelijk uit Italië werd beschreven. Moderne morfologische en moleculaire studies hebben bevestigde Europese collecties onderzocht uit onder andere Italië, Slovenië, Oostenrijk en Duitsland. Door de synonymisering van I. vulpinella valt ook materiaal dat vroeger onder die naam werd geplaatst binnen het huidige soortconcept van I. similis.

In Nederland is de grootsporige vezelkop 'zeer zeldzaam'. De NDFF Verspreidingsatlas vermeldt vondsten uit onder meer Den Oever, Oostelijk Flevoland, Rockanje en Buren. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen uit 2008 in de categorie 'ernstig bedreigd' (EB).

Gelijkende soorten

De soort kan macroscopisch worden verward met andere bruine, gladsporige vezelkoppen met een berijpte steel. Vooral Inocybe vulpinella werd in oudere literatuur als een zeer sterk gelijkende afzonderlijke soort beschouwd. Kenmerken zoals grotere sporen en verschillen in de caulocystiden bleken bij uitgebreider onderzoek echter onvoldoende constant. Moleculair onderzoek ondersteunt de behandeling van I. vulpinella als synoniem van I. similis.