| Langspoorvezelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Inocybe stenospora Stangl & Bresinsky (1983) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De langspoorvezelkop (Inocybe stenospora) is een schimmel uit de familie Inocybaceae. Het is een kleine, bruine vezelkop die vooral opvalt door zijn uitzonderlijk lange en smalle, min of meer projectielvormige sporen.
De soort vormt ectomycorrhiza, in Nederland vooral met grove den (Pinus sylvestris). Hij groeit voornamelijk op droge, voedselarme en humusarme zandgrond, onder andere in droge naaldbossen en andere open zandige terreinen.
De soort werd in 1983 beschreven door de Duitse mycologen Johann Stangl en Andreas Bresinsky. Het type-exemplaar werd op 5 oktober 1978 verzameld bij Offenstetten in Beieren, op een landduin.
Inocybe stenospora werd op grond van morfologische kenmerken vroeger in de omgeving van het ondergeslacht Mallocybe geplaatst. Moleculair-fylogenetisch onderzoek liet echter zien dat de soort daar niet toe behoort, maar binnen Inocybe in een groep rond Inocybe lanuginosa staat.
De hoed heeft een diameter van ongeveer 10–30 mm. Hij is aanvankelijk halfbolvormig tot klokvormig of convex en spreidt later uit. Een lage, brede umbo kan aanwezig zijn. De rand blijft vaak lang naar beneden gebogen. De kleur varieert van licht- of hazelnootbruin tot donkerbruin, soms met een grijze of zwak roodachtige tint. Bij jonge vruchtlichamen kunnen grijsachtige resten van het velum aanwezig zijn. Het oppervlak is opvallend wollig-vezelig tot fijn schubbig, waarbij vooral rond het centrum opgerichte bundeltjes vezels kunnen voorkomen.
De lamellen staan matig uiteen. Ongeveer 30–40 volledige lamellen bereiken de steel. Ze zijn aangehecht tot uitgebocht aangehecht en kunnen met een kort tandje langs de steel aflopen. De kleur is bruin tot donker grijsbruin, soms met een zwakke roodachtige tint. De lamelsnede is fijn gewimperd en aanvankelijk witachtig.
De steel is ongeveer 15–30 mm lang en 3–6 mm dik. Hij is stevig en cilindrisch of iets verbreed naar de basis, soms ook enigszins naar de top. Jonge exemplaren kunnen dicht met witachtige vezels bedekt zijn. Later is de steel lichtbruin en meestal alleen aan de top duidelijk berijpt. De top en de basis zijn doorgaans wat lichter van kleur.
Het vlees is witachtig in de hoed en lichtbruin in de steel, vooral in de buitenste delen van de steel. Oudere vruchtlichamen worden donkerder bruin. De geur is zwak of vrijwel afwezig.
De basidiosporen vormen het belangrijkste determinatiekenmerk. Ze meten bij onderzochte collecties ongeveer 9,3–21,0 × 4,2–6,5 µm, met een gemiddelde van circa 15,1 × 5,2 µm. Het gemiddelde Q-getal bedraagt ongeveer 2,9. Bij het type-exemplaar maten de sporen 12,3–19,7 × 4,4–6,2 µm, gemiddeld 15,8 × 5,0 µm.
De sporen zijn zeer langgerekt en karakteristiek projectiel- of laceroïdvormig, vaak met een min of meer afgeknot uiteinde en een opvallende asymmetrische vorm. Het oppervlak is vrijwel glad tot zwak golvend; slechts zelden is een aanduiding van kleine knobbeltjes aanwezig. De vorm doet enigszins denken aan de sporen van de zandpadvezelkop (Inocybe lacera), maar de sporen van de langspoorvezelkop zijn doorgaans opvallender gevormd en zeer lang.
De basidiën meten ongeveer 30–43 × 7–12 µm en zijn meestal viersporig, maar soms komen tweesporige basidiën voor. De lamelsnede is steriel en bevat talrijke cheilocystiden en paracystiden. De cheilocystiden zijn zeer variabel van vorm, van bijna bolvormig en knotsvormig tot cilindrisch of zakvormig, en meten ongeveer 14–65 × 9–20 µm. Ze zijn gewoonlijk dunwandig. Pleurocystiden ontbreken.
Caulocystiden bevinden zich voornamelijk aan de top van de steel. De hoedhuid bestaat uit min of meer parallel lopende hyfen met bruin pigment. Gespen zijn in de weefsels aanwezig.
De NDFF Verspreidingsatlas geeft aan dat voor een zekere determinatie microscopische controle noodzakelijk is.
De langspoorvezelkop is een ectomycorrhizavormende soort. In Nederland is hij vooral verbonden met Pinus, met name grove den. Het typische biotoop bestaat uit droog, voedselarm naaldbos op humusarm zand.
Ook uit Midden-Europa is de soort bekend van zandige, open en voedselarme terreinen, waaronder landduinen, zandige heideterreinen en voormalige militaire oefenterreinen. Bij onderzochte vindplaatsen groeide onder meer grove den (Pinus sylvestris) en stond vaak struikhei (Calluna vulgaris) in de vegetatie. Vruchtlichamen zijn vooral gevonden van augustus tot oktober.
Macroscopisch kan de langspoorvezelkop worden verward met de zandpadvezelkop (Inocybe lacera) en met soorten uit de groep rond Inocybe lanuginosa. Vooral de donkerbruine, wollig-vezelige tot schubbige hoed kan sterk op die soorten lijken.
Microscopisch is de soort veel karakteristieker. De combinatie van zeer lange, projectielvormige sporen, variabel gevormde dunwandige cheilocystiden en het ontbreken van pleurocystiden is onderscheidend. Bij betrouwbare determinatie is daarom microscopisch onderzoek noodzakelijk.
De langspoorvezelkop is een Europese soort met een schijnbaar sterk verspreid en zeldzaam voorkomen. In de literatuur zijn onder meer vondsten uit Duitsland, Finland, Denemarken en Hongarije vermeld. In Duitsland is de soort slechts van een beperkt aantal vindplaatsen bekend, veelal op zandige landduinen en vergelijkbare open zandgronden.
In Nederland komt de langspoorvezelkop zeer zeldzaam voor.