

Jer is de benaming voor twee letters uit het glagolitische en het cyrillische alfabet, namelijk de
respectievelijk ъ (ѥръ, jerŭ) en de
respectievelijk ь (ѥрь, jerĭ). In het vroege Slavisch, waaronder Oudkerkslavisch, vertegenwoordigden zij twee korte klinkers, ŭ en ĭ, die samen jers worden genoemd.
In de moderne Slavische talen hebben de jers zich, afhankelijk van hun positie in het woord, ontwikkeld tot andere klinkers of zijn ze geheel verdwenen, al dan niet met beïnvloeding van de omliggende klanken. Het Bulgaars is de enige moderne Slavische taal die een van beide, de ъ, als klinker heeft behouden.
De korte of gereduceerde klinkers ъ (ŭ) en ь (ĭ) ontwikkelden zich in het Proto-Slavisch uit de Proto-Indo-Europese korte [u] respectievelijk de korte [i]. De jers verspreidden zich sterk bij de Wet van open lettergrepen, die ervoor zorgde dat alle lettergrepen in het Proto-Slavisch op een klinker gingen eindigen; jers werden hiertoe ingevoegd in medeklinkerclusters en aan het woordeinde. In het Oudkerkslavisch duurt de Oerslavische situatie op dit punt vrijwel onveranderd voort en worden ъ en ь nog op hun oorspronkelijke posities aangetroffen. In de overgeleverde teksten is echter al te zien dat de jers geen volwaardige positie meer innamen in de Oudkerkslavische fonologie; het wegvallen van de toch al korte klinkers was begonnen.
Door de Wet van Havlík kwam er een tweedeling van de jers, op basis van hun plaats in het woord. Er ontstond een verschil tussen jers in "zwakke" positie en in "sterke" positie, waarbij jers aan het woordeinde altijd zwak werden. Voor jers in het midden van een woord geldt dat ze sterk zijn als zich in de volgende lettergreep een zwakke jer bevindt.
Na het ontstaan van zwakke en sterke jers gaan de zwakke ъ en ь geleidelijk uitvallen, waarbij ze soms een spoor achterlaten op de voorgaande medeklinker. De sterke jers blijven behouden en zullen zich in de moderne Slavische talen op verschillende wijze tot andere klinkers ontwikkelen. Doordat dezelfde jer binnen de verbuiging van een woord soms in sterke en soms in zwakke positie kan staan, verschijnen er zogenaamde vluchtige klinkers, die in de ene vorm wel voorkomen en in de andere niet (zie ook noot 3).
Het uitvallen van de jers geldt als de laatste fase van het uiteenvallen van het Gemeenslavisch.
In het Russisch, Oekraïens en Wit-Russisch valt een zwakke ъ uit zonder een spoor achter te laten; de letter ъ komt in het Russische alfabet in bepaalde gevallen nog wel voor, maar vervult daar een andere functie en heeft geen eigen klankwaarde (zie hard teken).
Een zwakke ь wordt nog steeds geschreven, maar vertegenwoordigt niet langer een klinker en zorgt er in plaats daarvan voor dat de voorafgaande medeklinker gepalataliseerd of "verzacht" wordt.
Ook in sterke positie blijft het onderscheid tussen ъ en ь gehandhaafd: de eerste ontwikkelde zich tot [o], de tweede tot [ʲe].
Evenals in het Oost-Slavisch is in de West-Slavische talen (Pools, Slowaaks, Sorbisch en Tsjechisch) de zwakke ъ verdwenen zonder sporen achter te laten. Ook hier geldt dat voor ь sommige medeklinkers gepalataliseerd werden, al verschilt dit per taal. Zo zijn bijvoorbeeld de Poolse letters ś en ć ontstaan uit sь resp. tь.
De sterke jers, zowel ъ als ь, hebben zich ontwikkeld tot [e] (in het Slowaaks soms ook tot [o]), met dien verstande dat ook hier de ь palatalisatie van de voorgaande medeklinker kan hebben veroorzaakt.
De zwakke jers vallen in de Zuid-Slavische talen op gelijke wijze uit als in het West-Slavisch. Sterke jers ontwikkelen zich, zonder onderscheid tussen ъ en ь, in het Sloveens tot [e], in het Servo-Kroatisch tot [a]. In het Macedonisch komen zowel [a], [e] als [o] voor. In sommige gevallen werden de l en de n gepalataliseerd tot lj en nj (in het cyrillisch geschreven als љ resp. њ).
Het Bulgaars heeft als enige Slavische taal de ъ als klinker behouden. Deze er goljam (ер голям, "grote jer") vertegenwoordigt een halfgesloten ongeronde achterklinker ([ɤ]?) of een sjwa ([ə]?). De ь is in het Bulgaars geheel verdwenen.