| Kasteel Kevergem | ||
|---|---|---|
| Locatie | ||
| Plaats | Oostkamp, West-Vlaanderen, België | |
| Adres | Kevergemdreef 11 | |
| Bouwkundige informatie | ||
| Bouwstijl(en) | baksteenarchitectuur met 19de-eeuwse en 20ste-eeuwse toevoegingen | |
| Status en tijdlijn | ||
| Gebouwd in | kern 16de eeuw, verbouwd in de 19de en 20ste eeuw | |
| Erkenning | ||
| Monumentale status | beschermd erfgoed Vlaanderen | |
| Monumentnummer | 87929 | |
Kasteel Kevergem is een historisch kasteel en kasteeldomein in de Belgische gemeente Oostkamp (provincie West-Vlaanderen). Het domein, gelegen aan de oostelijke oever van het Kanaal Gent-Brugge, omvat het kasteel zelf, een 19de-eeuws koetshuis, een vroeg 20ste-eeuws tuinpaviljoen en een park met dubbele grachtstructuur.
Het domein werd op 14 mei 2024 officieel aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed onder de benaming Kasteeldomein Kevergem.
Het kasteel bevindt zich tussen de Legeweg en de Steenbruggedijk, de voormalige trekweg langs het kanaal. Het domein is toegankelijk via de Kevergemdreef en de Steenbruggedijk en ligt binnen een tweeledige grachtstructuur. Een sierlijke toegang met bakstenen pijlers en smeedijzeren hekken leidt naar een onverharde oprijlaan en de brug over de gracht.
Het kasteel wordt voor het eerst vermeld op de Grote Kaart van het Brugse Vrije (1561–1571) van Pieter Pourbus. Daarop verschijnt het als een klein, omgracht bouwwerk ten zuiden van Steenbrugge, aan de oostzijde van de toenmalige Zuidleie (of Brugse Leie), de voorloper van het kanaal Gent–Brugge.
De oudst gekende eigenaar was jonkvrouw Maria-Magdalena Metgard, die het op 15 januari 1682 erfde van jonkheer Maarten-Leo de Torres. In 1698 werd het aangekocht door Jan-Baptist Vleys; zijn zoon Frans Vleys (burgemeester van Sijsele) erfde het op 11 januari 1700. Volgens de overlevering vertrokken de Brugse bisschoppen in deze periode vanuit het kasteel naar hun inwijdingsplechtigheden in Brugge.
Rond 1700 stond het goed bekend als ’t Kyfhuys. In een verkoopakte van 3 juli 1741 wordt het kasteel beschreven als een "schoon casteel ende huys van plaisance, besloten in syne poorten, wal en vyvers, boomgaarden, opgaende boomen, haeghen, beluycken". Het kasteel werd later eigendom van graaf Ambroos de Finale (gouverneur van Nieuwpoort); diens weduwe Margariete Booninck verkocht het op 4 juli 1753 aan Anton-Jozef Van der Vliet. Rond 1776 was Hendrik-Jozef Van der Vlierdt eigenaar.
Gedurende de 19de eeuw kwam het domein in bezit van de familie De Blaeuwe. Tegen 1845 voerde kanunnik Pieter de Blaeuwe (1798–1873) ingrijpende verbouwingen uit: de zuidelijke helft werd deels afgebroken en herbouwd, de brug werd verlegd en een hoeve werd opgericht aan de Kevergemdreef. Volgens het kadaster werd een deel van het domein bewoond door de pachter Bernard Goormachtigh. Bij het overlijden van Theresia de Blaeuwe (overleden 1843) en nadien in 1873 ging het goed bij legaat over op Jan-Jozef van Iseghem († 1899). Rond 1900 kwam het minstens gedeeltelijk aan de kinderen van zijn zus, aangeduid als Alfons en Prudence François.
In 1901 vond een uitbreiding aan de westkant plaats. Kort daarna werd het kasteel verworven door baron Leo Ruzette (1836–1901); na zijn overlijden kwam het in bezit van zijn zoon baron Albert Ruzette (1866–1929), voormalig minister en gouverneur van West-Vlaanderen, die rond 1910 het tuinpaviljoen liet bouwen. Rond het midden van de 20ste eeuw vonden omvangrijke verbouwingen en herstellingen plaats.
Het deels in de gracht gelegen hoofdgebouw bestaat uit zeven traveeën en twee à drie bouwlagen in verankerde baksteenbouw. De oudste kern bevindt zich vermoedelijk in het noordelijke gedeelte. Het dak bestaat uit twee ongelijke leien schilddaken.
Aan de oostzijde bevindt zich een vierkante toren met klokdakje en metalen vlagbekroning. De toren telt vier bouwlagen met onder meer spitsboogvensters en een arduinen druiplijst. De gevels vertonen 20ste-eeuwse natuurstenen omlijstingen en zwart-witte luiken. Rondom het hoofdvolume bevinden zich kleine aanbouwen met leien daken, waaronder een inkompartij met historiserende puntgevel.
Het koetshuis, gebouwd in 1845, ligt net buiten de gracht aan de Kevergemdreef. Het is een vrijstaande bakstenen constructie van zes traveeën onder een schilddak met Vlaamse pannen. De gevels zijn geritmeerd door rondboogopeningen met natuurstenen dorpels en houten poorten in zwart-witte beschildering. Het werd in 1851 uitgebreid en wordt tegenwoordig deels als woning gebruikt.
Het tuinpaviljoen aan de zuidrand van het domein werd gebouwd rond 1910 in cottage-stijl. Het betreft een kleine oranje baksteenwoning met zadeldak, dakkapel, terras en pseudovakwerk in de geveltop. Het verkeert tegenwoordig in bouwvallige staat.
Het park van Kevergem is volledig omgracht en toegankelijk via een brug met siervazen. De oorspronkelijke 18de-eeuwse parkaanleg bestond uit één noordelijk deel, maar werd in de 19de en 20ste eeuw tweemaal zuidwaarts uitgebreid.
Het park is ingericht langs een centrale zichtas naar het tuinpaviljoen en omvat open grasvelden, omzoomd door parkbos met eik, beuk, hulst en rododendron. Opmerkelijke bomen zijn onder meer een tulpenboom, treurbeuk, linde en plataan. Aan de zuidzijde bevindt zich een kunstmatige heuvel met een gemetselde nis, vermoedelijk een restant van een folly of klein militair bouwwerk.
(De lijst baseert zich op de gegevens uit het kadaster, archiefkaarten en de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed.)
Het domein is beschermd als bouwkundig en landschappelijk erfgoed vanwege zijn historische gelaagdheid, architecturale waarde en representatief karakter als omgracht kasteeldomein uit de vroegmoderne periode.