| Klimoptaailing | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Marasmius epiphylloides (Rea) Sacc. & Trotter (1925 ) | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De klimoptaailing (Marasmius epiphylloides) is een schimmel behoren tot de familie Marasmiaceae. Hij leeft saprotroof op dood blad van klimop. Hij komt voor in loofbossen, vooral op die plaatsen waar een dichte ondergroei van klimop aanwezig is.
De hoed heeft een diameter van 0,5–9 mm. De vorm is eerst bolvormig, later platconvex tot vlak, vaak iets ingezonken in het midden. De hoedrand eerst omgeslagen, later recht of afhangend; bij oudere exemplaren vaak gegolfd aan de rand. De hoed is bij verse exemplaren wit, droog geelachtig, fijn poederig-pruinos onder de lens, zwak radiaal geribbeld.
De lamellen zijn zelden glad, meestal met 4–7(-10) vertakte of samenvloeiende plooien, zonder echte lamellen. De kleur is wit met egale, concolorerende rand.
De steel is (2,5)–15(–20) mm lang en 0,1–0,6 mm dik. Hij is rechtopstaand vanuit het substraat, draadachtig, vaak verbreed aan de top. De kleur is wit aan de top, geelachtig tot geelbruin daaronder, donkerbruin in het onderste deel. is wit aan de bovenkant en loopt via okergeel naar zwartbruin op de basis.
De geur is onduidelijk.
De sporenprint is wit.
De sporen zijn cilindrisch en meten 11,0–15,5(–18,0) × 2,0–3,5 µm (Q = 2,9–5,5, meestal 3,2–4,0). De basidia zijn 4-sporig, knotsvormig, met gespen. De cystiden zijn flesvormig, vaak (sub-)capitaten of met een scherpe top, soms met hyaliene slijmkap aan de top, vaak iets verdikte wanden aan de top en meten 40–55(–60) × 9–12,5 µm. De pleurocystidia zijn talrijk aanwezig, flesvormig en meten 25–55 × 8–15 µm. De caulocystidia zijn cilindrisch, knotsvormig, subglobose of flesvormig, verdikte wanden en meten 8–35 × 5–11 µm.
In Nederland komt de klimoptaailing vrij zeldzaam voor.