| Wortelstokfranjekelkje | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Lachnum pygmaeum | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Lachnum pygmaeum (Fr.) Bres. (1903) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Dasyscyphus pygmaeus | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Het wortelstokfranjekelkje (Lachnum pygmaeum) is een schimmel uit de familie Lachnaceae. De soort vormt kleine, langgesteelde, behaarde apotheciën met een geelachtig tot oranjebruin hymenium. Hij leeft saprotroof op dood hout en andere afgestorven plantendelen, doorgaans op vochtige plaatsen. De soort is oorspronkelijk beschreven van rottend naaldhout. Van oudsher werden ook vondsten op wortelstokken van grassen tot deze soort gerekend, maar deze blijken deels tot verwante taxa te behoren.
De apotheciën (vruchtlichamen) zijn gesteeld en aanvankelijk komvormig, later meer schotelvormig. Bij onderzoek aan gedroogd materiaal bedroeg de hoogte 1–5 mm en de diameter van de schijf 0,3–2,5 mm. De steel is relatief lang, soms stevig gebouwd en tot circa 0,3 mm dik. De buitenzijde van de vruchtlichamen is bleekgeel, beige tot lichtoranje en bedekt met korte, witachtige haren. Het hymenium is doorgaans geelachtig tot bruinoranje. De vruchtlichamen groeien op of vlak boven het substraat.
De onderstaande maten zijn gebaseerd op door Suková (2005) onderzocht, gedroogd materiaal van houtbewonende exemplaren van Lachnum pygmaeum in strikte zin.
De haren zijn kleurloos (hyaliene), dunwandig en aan de buitenzijde fijn wrattig. Ze zijn cilindrisch of naar de top geleidelijk verbreed, soms met een duidelijk verdikte top. Ze meten (34–)42–60(–70) × (3,5–)3,7–4,9(–5,6) µm en hebben maximaal drie tot vier tussenschotten.
De asci zijn cilindrisch tot enigszins knotsvormig, doorgaans achtsporig en meten (50–)53–73(–83) × (3,8–)4,1–5(–5,9) µm. Ze ontstaan uit haken aan de basis. De ascustop vertoont een positieve jodiumreactie na voorbehandeling met KOH en toepassing van Melzers reagens.
De ascosporen zijn hyalien, eencellig en spoelvormig tot smal spoelvormig. Ze meten (5,7–)7,3–9,7(–12) × (1,5–)1,7–2,1(–2,3) µm, met een gemiddelde van ongeveer 8,5 × 1,9 µm.
De parafysen zijn lancetvormig en meten (2,2–)2,9–4,1(–4,9) µm in breedte. Ze steken doorgaans 8,5–17,5 µm boven de asci uit, met uitschieters tot 25 µm. De toppen zijn meestal niet geïncrusteerd.
Het wortelstokfranjekelkje leeft saprotroof op afgestorven plantaardig materiaal. In Nederland is de soort vermeld van dode takken en wortels van loofbomen die door mos of strooisel zijn bedekt, vooral in vochtige bossen. De oorspronkelijke soortbeschrijving van Elias Magnus Fries uit 1822 is gebaseerd op materiaal van een rottende stam van een spar (Picea). Ook uit later onderzoek zijn vondsten op naaldhout bekend.
In oudere literatuur worden daarnaast wortelstokken van grassen en andere grasachtige planten als substraat genoemd. Een revisie van Tsjechisch herbariummateriaal toonde echter aan dat houtbewonende exemplaren en exemplaren van kruidachtige substraten microscopisch verschillen. De laatste hebben doorgaans smallere parafysen en iets kortere haren en asci. Deze exemplaren worden daarom niet zonder meer tot Lachnum pygmaeum in strikte zin gerekend.
Het wortelstokfranjekelkje lijkt op verschillende andere soorten van het geslacht Lachnum. Vooral de combinatie van de betrekkelijk lange steel, de korte witachtige haren, de sporenmaten en de vorm van de parafysen is van belang voor de determinatie.
Een betrouwbare determinatie vereist microscopisch onderzoek. De NDFF Verspreidingsatlas geeft eveneens aan dat microscopische controle noodzakelijk is en dat goed geconserveerd materiaal gewenst is.
Lachnum pygmaeum is bekend uit verschillende delen van Europa. Ook uit Noord-Amerika en Turkije zijn vondsten gepubliceerd. In 2014 werd de soort voor het eerst voor Turkije gerapporteerd, op basis van materiaal dat in 2012 bij Trabzon op een dode tak was verzameld.
In Nederland is het wortelstokfranjekelkje zeer zeldzaam. Volgens het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 was de soort bekend van een vondst bij Asten in Noord-Brabant, uit 1961. De NDFF Verspreidingsatlas vermeldt de soort in de zeldzaamheidscategorie 'verdwenen', omdat in de evaluatieperiode 2004–2023 geen gevalideerde waarnemingen bekend zijn.
De soort werd in 1822 door Elias Magnus Fries beschreven als Peziza pygmaea. In 1903 plaatste Giacomo Bresadola de soort in het geslacht Lachnum, onder de huidige naam Lachnum pygmaeum. Een ander gebruikt synoniem is Dasyscyphus pygmaeus (Fr.) Sacc.
Bij een taxonomische revisie in 2005 werd Lachnum piceum Velen. als synoniem van Lachnum pygmaeum in strikte zin beschouwd. Dezelfde studie liet zien dat onder de naam Lachnum pygmaeum in ruime zin verschillende nauw verwante vormen schuilgaan, die onder meer verschillen in substraatvoorkeur, breedte van de parafysen en bouw van de ascusbasis.