| Lachnum | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gewoon franjekelkje (Lachnum virgineum) | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||
| Lachnum Retz. (1769) | ||||||||||||
| ||||||||||||
Lachnum is een geslacht van schimmels uit de familie Lachnaceae, behorend tot de orde Helotiales. De soorten vormen doorgaans kleine, behaarde, kom- tot schijfvormige apothecia, die vaak op een kort steeltje staan. Ze leven voornamelijk saprotroof op dood plantaardig materiaal, waaronder hout, bladeren en stengels van kruidachtige planten.
Het geslacht werd in 1769 beschreven door de Zweedse natuuronderzoeker Anders Jahan Retzius. De typesoort is Lachnum agaricinum.
De vruchtlichamen zijn kleine apothecia, doorgaans slechts enkele millimeters groot of kleiner. Ze zijn aanvankelijk komvormig en worden bij verdere ontwikkeling vaak schotel- tot schijfvormig. De meeste soorten hebben een duidelijk, soms zeer kort steeltje.
De binnenzijde van het apothecium bestaat uit het hymenium, de sporenproducerende laag. Deze kan wit, crème, geelachtig, oranjeachtig of roze gekleurd zijn. De buitenzijde en de rand zijn meestal bezet met fijne haren. Deze zijn vaak witachtig, maar kunnen bij sommige soorten geelachtig of anders gekleurd zijn.
De haren zijn een belangrijk kenmerk van het geslacht. Ze zijn doorgaans cilindrisch, veelal gesepteerd en hebben vaak een fijnkorrelig of geïncrusteerd oppervlak. De lengte, vorm en structuur van de haren verschillen per soort.
De sporen worden gevormd in cilindrische tot knotsvormige asci, die doorgaans acht sporen bevatten. De ascosporen zijn meestal hyaliene (kleurloos) en variëren per soort van kort elliptisch tot langwerpig, spoelvormig of draadvormig. Bij sommige soorten kunnen rijpe sporen tussenschotten ontwikkelen.
Tussen de asci staan parafysen. Deze zijn bij veel soorten lancetvormig, met een naar de top versmalde vorm, en steken vaak boven de asci uit.
Voor de determinatie zijn vooral de volgende microscopische kenmerken van belang:
De sporenmaten kunnen sterk uiteenlopen. Zo heeft het esdoornfranjekelkje (Lachnum rhytismatis) volgens de Nederlandse Mycologische Vereniging sporen van ongeveer 4–4,5 × 1–1,3 µm. Bij soorten met draadvormige sporen kunnen deze verscheidene tientallen micrometers lang worden.
Soorten van Lachnum groeien voornamelijk op afgestorven plantendelen, waar ze een rol spelen bij de afbraak van organisch materiaal. Ze worden aangetroffen in bossen, graslanden, moerassen en andere vegetaties waarin geschikt dood plantenmateriaal aanwezig is.
Sommige soorten groeien voornamelijk op hout van loof- of naaldbomen, terwijl andere een voorkeur hebben voor afgestorven bladeren of stengels van kruidachtige planten.
Voorbeelden van substraatvoorkeuren zijn:
Lachnum behoort tot de familie Lachnaceae. In oudere literatuur werden veel soorten in de familie Hyaloscyphaceae geplaatst. Moleculair fylogenetisch onderzoek ondersteunt de onderscheiding van Lachnaceae en Hyaloscyphaceae als afzonderlijke families binnen de Helotiales.
De afbakening van het geslacht is in de loop van de tijd veranderd. Verschillende soorten die vroeger tot Lachnum werden gerekend, zijn overgebracht naar andere geslachten, waaronder Albotricha, Brunnipila, Capitotricha, Dasyscyphella en Erioscyphella.
Een voorbeeld is het tweekleurig franjekelkje, vroeger bekend als Lachnum bicolor, maar tegenwoordig ingedeeld als Capitotricha bicolor.
Moleculair onderzoek laat bovendien zien dat sommige traditioneel onderscheiden soorten nauw verwant zijn en mogelijk soortencomplexen vormen. De fylogenetische grenzen van Lachnum zijn nog niet volledig opgehelderd. Naast microscopische kenmerken worden daarom steeds vaker DNA-sequenties gebruikt om soorten en geslachten af te bakenen.
Het geslacht Lachnum heeft een wereldwijde verspreiding. Soorten zijn beschreven uit onder andere Europa, Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Oceanië. Ze komen zowel in gematigde als in tropische gebieden voor.
In Nederland zijn verschillende soorten vastgesteld. Het gewoon franjekelkje (Lachnum virgineum) is algemeen en komt verspreid over het land voor. Veel andere soorten zijn zeldzaam of zeer zeldzaam geregistreerd. Doordat de vruchtlichamen klein zijn en voor een betrouwbare determinatie vaak microscopisch onderzoek nodig is, kunnen soorten gemakkelijk over het hoofd worden gezien.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van soorten die onder de naam Lachnum uit Nederland zijn gemeld. De opgegeven substraten zijn vereenvoudigde aanduidingen van de voornaamste groeiplaatsen en zijn niet altijd exclusief.
| Naam | W-naam | substraat | sporenmaat (µm) | overige |
|---|---|---|---|---|
| Bladfranjekelkje | Lachnum soppittii | blad van Carpinus | 9–11 × 2,5–3 | |
| Blozend franjekelkje | Lachnum carneolum | grassen | 5-9,5 × 1,2-2,1 | |
| Esdoornfranjekelkje | Lachnum rhytismatis | esdoorn | 1-2 x 4-5 | |
| Fraai franjekelkje | Lachnum mollissimum | schermbloemigen | 13-15 µm lang | |
| Geelwit franjekelkje | Lachnum patulum | eikenblad en beukennapjes | 7-9 µm lang | geel-witte hymenium |
| Gewoon franjekelkje | Lachnum virgineum | loofhout | 7,5-11 × 1-2,5 | asci 40-57,5 × 3-5 μm, parafysen 150–77,5(–100) × 3,5–6(–7,5) μm, haren 80-120 μm (fijnkorrelig, brede top, gesepteerd) |
| Grasfranjekelkje | Lachnum rhodoleucum | gras | 10–15 × 1–1,5 | |
| Ivoorfranjekelkje | Lachnum eburneum | kruidachtige planten | 6-8 × 1-1,5 | |
| Kattenstaartfranjekelkje | Lachnum salicariae | o.a. kattenstaart | 5-11 x 1,5-3,3 | haren op apothecia |
| Kortharig franjekelkje | Lachnum brevipilosum | loofhout | 6-12,5 × 2-3 (of 6-8 x 1,5-2) | asci 50-56 x 4,0-4,5 µm, parafysen 3-6 µm breed (iets langer dan de asci, gesepteerd aan de basis), haren (tot 50 x 3 µm |
| Loofhoutfranjekelkje | Lachnum impudicum | loofhout | 5-9 × 1,5-2,3 | asci 43-52 × 5-6 µm met croziers, parafysen (2,1-)2,4-3,1(-3,3) μm, haren 40-90 μm (ruwe top) |
| Mattenbiesfranjekelkje | Lachnum juncinum | grassen | 13-21 × 2,5-3,2 | |
| Naaldhoutfranjekelkje | Lachnum papyraceum | naaldhout | 6-12 × 1,8-2,8 | asci 60-82 × 6-6,5 |
| Pitrusfranjekelkje | Lachnum apalum | rus (Juncus) | 35–49 × 1,5–2,5 | |
| Prachtig zeggefranjekelkje | Lachnum callimorphum | zegge (Carex) | 16–20 × 1–2 | |
| Sneeuwwit franjekelkje | Dasyscyphella nivea | loofhout | (5,8–) 6,4–8 (–9) × 1,6–2 | asci 41–54,5 × 3,3–4,8 μm zonder croziers, parafysen 1,6–2,3 μm en 3,3–10 (–12,5) μm boven de asci, haren 45-110 μm (gesepteerd, fijnkorelig) |
| Spireafranjekelkje | Lachnum nudipes | moerasspirea en riet | 8-10-(13) x 2-2,5 | |
| Rietfranjekelkje | Lachnum controversum | grote grassen | 6-10 × 1,8-2,2 | |
| Roze franjekelkje | Lachnum roseum | grassen | lengte maximaal 24 µm en een breedte ongeveer 1,5 µm | |
| Russenfranjekelkje | Lachnum diminutum | russen | 10-17 × 1,5-2,3 | |
| Teer franjekelkje | Lachnum tenuissimum | grassen en riet | 6,5-9 (11) × 1,5-2 | |
| Vals franjekelkje | Lachnum subvirgineum | loofhout (wilg) | 7-13 × 1,7-2,2 | |
| Wilgenfranjekelkje | Lachnum pudibundum | loofhout (wilg, soms beuk en meidoorn) | 6,6-9,5 x 1,4-2,3 | asci 39-45,5 x 3,7-5 μm met croziers, parafysen (1,7-)2-2,9(-3,3) μm, haren (34-)40-63 μm |
| Wortelstokfranjekelkje | Lachnum pygmaeum | looftakken en wortels | 7-11 × 2-2,5 | geel hymenium |
| Zwavelgeel franjekelkje | Lachnum sulphureum | kruiden | 25-35 × 2-3 | zwavelgele haren |
Niet alle taxonomische databanken hanteren dezelfde indeling.
De Nederlandse Mycologische Vereniging plaatst het fraai franjekelkje onder de naam Trichopeziza mollissima en het zwavelgeel franjekelkje onder Trichopeziza sulphurea. Species Fungorum beschouwt daarentegen respectievelijk Lachnum mollissimum en Lachnum sulphureum als de geaccepteerde namen.
Het sneeuwwit franjekelkje behoort tot het afzonderlijke geslacht Dasyscyphella en draagt de wetenschappelijke naam Dasyscyphella nivea.
Voor een uitgebreider internationaal overzicht van geregistreerde soortnamen, synoniemen en hun taxonomische status kunnen de databanken Index Fungorum en Species Fungorum worden geraadpleegd.