| Bladfranjekelkje | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Lachnum soppittii (Massee) Raitv. (1986) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Dasyscyphus soppittii | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Het bladfranjekelkje (Lachnum soppittii) is een schimmel uit de familie Lachnaceae. De soort leeft saprotroof op afgevallen bladeren van loofbomen, voornamelijk haagbeuk (Carpinus) en eik (Quercus). Hij komt voor in loofbossen.
Het bladfranjekelkje vormt kleine, gesteelde apotheciën met een doorsnede tot ongeveer 2 mm. De vruchtlichamen zijn wit en aan de buitenzijde bedekt met fijne haren. De vruchtbare binnenzijde (hymenium) is crèmekleurig.
De ascosporen zijn kleurloos (hyalien) en meten 9–11 × 2,5–3 µm.
De haren aan de buitenzijde van de apotheciën zijn kleurloos, dunwandig en door septen (tussenschotten) verdeeld in meerdere cellen. Ze versmallen geleidelijk naar een fijne, spitse top. Soms zijn op de haren enkele kristallen aanwezig, vooral nabij de top. Het buitenste weefsel van het vruchtlichaam (excipulum) bestaat uit prismatische cellen met een relatief breed lumen.
De parafysen zijn lancetvormig. Het bladfranjekelkje behoort tot een moleculair onderscheiden groep binnen Lachnum, waarvan de soorten doorgaans gesteelde apotheciën en ongeseptate, elliptische tot spoelvormige ascosporen hebben.
Voor een zekere determinatie is microscopisch onderzoek noodzakelijk.
Het bladfranjekelkje is een saprotrofe soort die groeit op dode, afgevallen bladeren. In Nederland wordt hij vooral geassocieerd met haagbeuk, maar hij is eveneens aangetroffen op bladeren van eiken.
In de Britse literatuur worden onder andere zomereik (Quercus robur) en Amerikaanse eik (Quercus rubra) als substraat vermeld. Daar worden vruchtlichamen gemeld van juli tot en met februari.
Het bladfranjekelkje is onder meer bekend uit Europa en Japan. In een Japans onderzoek werden exemplaren verzameld op bladeren van Quercus serrata in de prefectuur Nagano en op afgevallen bladeren in de prefectuur Ibaraki.
In Nederland komt het bladfranjekelkje zeer zeldzaam voor. Historische vondsten zijn onder andere bekend uit het Voorsterbos in de Noordoostpolder (1983) en de omgeving van Helmond (1989). De werkelijke verspreiding is niet volledig bekend.
De soort werd in 1895 door George Edward Massee beschreven als Dasyscyphus soppittii. In 1986 bracht de Estische mycoloog Ain G. Raitviir de soort onder in het geslacht Lachnum, waardoor de huidige combinatie Lachnum soppittii ontstond.
Moleculair-fylogenetisch onderzoek heeft bevestigd dat Lachnum soppittii behoort tot een groep met onder andere Lachnum virgineum, Lachnum nudipes en Lachnum pudibundum, die nauw verwant zijn aan de typesoort van het geslacht.