| Lamprodermatidae | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Lamproderma scintillans | ||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||
| ||||||||
| Familie | ||||||||
| Lamprodermataceae T. Macbr., 1899 | ||||||||
| ||||||||
De Lamprodermatidae (in de botanische nomenclatuur Lamprodermataceae) zijn een familie van slijmzwammen uit de orde Physarales. De familie behoort tot de Amoebozoa en omvat soorten met doorgaans donker gekleurde sporen. Kenmerkend voor verschillende vertegenwoordigers zijn de kleine sporangia met een vaak metaalachtig glanzende of iriserende buitenwand.
De vruchtlichamen zijn doorgaans klein en bestaan uit afzonderlijke of groepsgewijs voorkomende sporangia. De sporendragende delen zijn bolvormig tot eivormig en kunnen gesteeld of ongesteeld zijn. De buitenwand, het peridium, is vaak dun en vliezig en kan een zilverachtige, blauwe, violette of bronskleurige metaalglans vertonen. Bij rijping scheurt deze wand onregelmatig open, waardoor de sporen vrijkomen.
Bij het geslacht Lamproderma is doorgaans een donkere steel aanwezig die zich in het sporangium voortzet als een columella. Deze centrale structuur reikt meestal tot ongeveer halverwege het sporendragende gedeelte. Vanuit de columella ontspringt het capillitium, een netwerk van vertakte draden tussen de sporen. Bij verschillende verwante geslachten, waaronder Diacheopsis, Colloderma en Elaeomyxa, ontbreken een steel en columella vaak.
De sporen zijn in massa gewoonlijk donkerbruin tot zwart. Hun oppervlak kan voorzien zijn van wratten, stekels of een netwerkvormige ornamentatie. De bouw van het peridium, het capillitium en de sporenornamentatie speelt een belangrijke rol bij de determinatie. Kalkafzettingen ontbreken doorgaans of zijn slechts in geringe hoeveelheden aanwezig.
Vertegenwoordigers van de familie komen in uiteenlopende gebieden voor. Ze worden onder meer aangetroffen op dood hout, afgevallen bladeren, mos en ander plantaardig materiaal. Verschillende soorten hebben een voorkeur voor vochtige, beschaduwde plaatsen.
Binnen het geslacht Lamproderma zijn veel soorten nivicool: zij vormen hun vruchtlichamen nabij smeltende sneeuw, vooral in berggebieden. Andere soorten groeien tussen mossen of op plantaardig afval in bossen. Lamproderma scintillans is een voorbeeld van een soort die op afgevallen bladeren voorkomt.
De familie werd in 1899 beschreven door Thomas Huston Macbride onder de naam Lamprodermataceae. Het typegeslacht is Lamproderma, dat in 1873 door Józef Rostafiński werd beschreven.
In oudere classificaties werd Lamproderma ondergebracht bij de Stemonitidaceae binnen de orde Stemonitidales. Moleculair onderzoek toonde echter aan dat Lamproderma en verwante geslachten evolutionair nauwer verwant zijn aan de Physarales. In een fylogenetische classificatie uit 2019 werd de familie daarom binnen deze orde geplaatst.
Volgens een fylogenetische studie uit 2026 worden de volgende vier geslachten tot de familie gerekend:
Het geslacht Collaria werd in eerdere indelingen eveneens tot deze familie gerekend. Moleculair onderzoek uit 2026 plaatste de typesoort, Collaria rubens, echter in de familie Meridermataceae. Een andere soort, Collaria arcyrionema, werd overgebracht naar de Argentodermataceae.
Onderzoek aan ribosomaal DNA liet zien dat de traditionele geslachten Lamproderma, Diacheopsis, Colloderma en Elaeomyxa evolutionair niet duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Verschillende soorten van deze geslachten blijken in dezelfde genetische afstammingsgroepen voor te komen. Kenmerken zoals de aanwezigheid van een steel of columella zijn daardoor minder betrouwbaar voor het vaststellen van evolutionaire verwantschappen dan eerder werd aangenomen.
Een uitgebreider onderzoek uit 2026, gebaseerd op meerdere genen, bevestigde dat de familie in haar huidige afbakening niet monofyletisch is. De onderzochte soorten vormden vier genetische groepen, waarvan de onderlinge verwantschappen niet volledig konden worden opgehelderd. De onderzoekers handhaafden daarom voorlopig de bestaande familie-indeling, in afwachting van aanvullend onderzoek.