| Louis Couperus | ||
|---|---|---|
Foto van Louis Couperus door M. Goldsmid in 1917 | ||
| Persoonsgegevens | ||
| Volledige naam | Louis Marie Anne Couperus | |
| Geboortedatum | 10 juni 1863 | |
| Geboorteplaats | Den Haag | |
| Overlijdensdatum | 16 juli 1923 | |
| Overlijdensplaats | De Steeg | |
| Geboorteland | ||
| Werken | ||
| Genre(s) | Roman Sprookje Reisverhaal Column Poëzie | |
| Bekende werken | Eline Vere De stille kracht Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... | |
| Eigenaar van | Brinio | |
| Erkenning en lidmaatschap | ||
| Werken in collectie | Nationaal Museum van Wereldculturen, Stedelijk Museum Amsterdam, Drents Museum | |
| Archieflocatie | KB, nationale bibliotheek, Literatuurmuseum | |
| Prijzen en onderscheidingen | Tollensprijs (1923), D.A. Thiemeprijs (1889), Nieuwe Gids-prijs (1914) | |
| Opgenomen in | Canon van de Nederlandse letterkunde (2002, MNL) | |
| Handtekening | ||
| Afbeeldingen | ||
| Links | ||
| Dbnl-profiel | ||
| (en) IMDb-profiel | ||
| RKD-profiel | ||
| Website | ||
Louis Marie Anne Couperus (Den Haag, 10 juni 1863 – De Steeg, 16 juli 1923) was een Nederlandse schrijver en een van de eerste Nederlandse vertegenwoordigers van het literaire naturalisme.
Couperus' werk omvat allerlei uiteenlopende literaire genres. Hij debuteerde met poëzie, maar legde zich vervolgens al snel toe op psychologische romans, waarmee hij de meeste bekendheid verwierf. Hij schreef daarnaast cultuursprookjes, historische romans en veel reisverslagen en columns. In het algemeen wordt hij gezien als een van de belangrijkste schrijvers uit de canon van de Nederlandse literatuur. De uitgave van zijn Volledige Werken (1987-1996) geldt als een van de eerste Nederlandse tekstedities die volgens wetenschappelijke, tekstkritische normen tot stand zijn gekomen.


Louis Couperus behoorde tot de Nederlandse patriciaatsfamilie Couperus. Dit was van oorsprong een Fries geslacht van kuipers, wier familienaam later gelatiniseerd werd. In dezelfde familie kwamen verschillende predikanten voor. Abraham Couperus (1752-1813), Louis Couperus' overgrootvader, vestigde zich in Nederlands-Indië, waar hij eerst als koopman werkte en later gouverneur werd van Nederlands-Malakka.:14 Louis' vader, John Ricus Couperus (1816-1902), was lid van de raad van justitie te Padang 1844 en te Batavia 1846. Daarna was hij raadsheer bij het Hooggerechtshof 1850. Zijn vrouw, Louis Couperus' moeder, was Catharina Geertruida Reynst (1829-1893). Zij was de dochter van Jan Cornelis Reijnst (1798-1871), waarnemend gouverneur-generaal van Nederlands-Indië.
Louis Couperus werd geboren op de Mauritskade in Den Haag, in het pand op nummer 11, als jongste van elf kinderen. De vader van Louis Couperus was bij diens geboorte al gepensioneerd. Drie jaar eerder was hij met de hele familie vanuit Indië naar Den Haag gekomen. Louis' drie voornamen zijn die van drie zusjes die vóór zijn geboorte al gestorven waren. Door verwarring hierover stond Louis Couperus tot zijn 18e in het Haagse bevolkingsregister als meisje geregistreerd.:18
De kleine Louis werd op 19 juni gedoopt in de Waalse kerk in Den Haag. Het gezin Couperus vertrok op 8 november 1872 weer naar Nederlands-Indië, om Couperus' broers te helpen bij hun loopbanen en het familielandgoed Tjicoppo te bezoeken. Zij kwamen daar op 31 december aan en vestigden zich in 1873 aan het Koningsplein te Batavia. Enkele van Couperus' latere romans spelen zich gedeeltelijk of geheel af in (een fictief deel van) Nederlands-Indië, waaronder De stille kracht, wellicht zijn allerbekendste werk.
Tijdens zijn jeugdjaren onderhield Louis van al zijn broers en zussen bijna alleen contact met zijn broer Frans die zes jaar ouder was dan hijzelf, en met zijn jongste zus Trudy die zeven jaar ouder was. Het leeftijdsverschil met zijn andere broers en zussen was te groot.:26
In 1874 begon Couperus met zijn opleiding op het Gymnasium Willem III. Hier werd zijn interesse voor de klassieke oudheid gewekt. Hij had op dat moment al contact met zijn latere echtgenote, Elisabeth Baud (1867-1960), die tevens zijn eigen achternicht was. Louis Couperus maakte op negenjarige leeftijd kennis met haar.:41
Omstreeks 1879 keerde Louis Couperus samen met zijn beide ouders terug naar Nederland, zijn oudste broers en twee oudere zussen bleven in Nederlands-Indië. Louis Couperus' broer Frans was het jaar daarvoor al naar Nederland teruggekeerd. Ze gingen hierna eerst samen met Frans aan de Nassaukade in Den Haag wonen.:47-48 In 1883 verhuisden ze naar het Nassauplein. Couperus verliet in 1881 de H.B.S. waar hij niet goed meekwam, en studeerde verder voor een acte MO-Nederlands. In 1883 keerde ook Elisabeth Baud terug naar Nederland, waar ze introk bij haar grootouders, Guillaume Louis Baud en Wilhelmina Jacobina Theodora Couperus. In mei van datzelfde jaar verkocht John Ricus Couperus het landgoed Tjicoppo, in Nederlands-Indië. Louis Couperus begon zijn literaire carrière in juli van dat jaar met het gedicht Erinnering, dat verscheen in het tijdschrift Nederland.
Louis Couperus kreeg van zijn 18e tot zijn 23e privéles in de literatuurwetenschap van Jan ten Brink. Zijn eigen vader leerde hem Engels, wat Louis op de HBS niet als schoolvak gekregen had.:51-55
In augustus 1883 werd de oudste broer van Louis, Petrus Theodorus, wegens een geestesziekte opgenomen in een inrichting. In 1884 verhuisde de familie naar Surinamestraat 20. Louis Couperus werd in juni 1885 benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en behaalde op 6 december 1886 zijn acte MO-Nederlands. In 1887 zette hij zijn omgang met Elisabeth Baud voort en begon ook zijn vriendschap met Gerrit Jäger.
In december van datzelfde jaar begon Louis Couperus aan zijn debuutroman, Eline Vere, een verhaal dat het jaar daarop als feuilleton verscheen in Het Vaderland en zeer populair werd. Op 3 maart 1889 verscheen het voor het eerst als boek. Als vijfentwintigjarige had Louis Couperus hiermee zijn naam als schrijver definitief gevestigd. Het boek was direct een groot succes en tot Couperus' overlijden verschenen er negen drukken. Hij had toen al twee dichtbundels gepubliceerd, die echter vrijwel onopgemerkt bleven.

Couperus maakte in juli 1889 een reis naar Scandinavië met zijn zwager Benjamin Vlielander Hein. In 1890 sloot hij vriendschap met jhr. J.H. Ram en maakte hij kennis met Maurits Wagenvoort. Hij ondernam in mei van dat jaar een reis naar Karlsbad en ontving op 12 augustus de Thiemeprijs voor Eline Vere.
Op 13 oktober 1890 liet Couperus zich uitschrijven uit 's-Gravenhage, met de bedoeling zich voor langere tijd in Parijs te vestigen. Hij bezocht hier de Frans-Poolse schrijver Théodore de Wyzewa en woonde een lezing bij van Francisque Sarcey, een bekend journalist en toneelcriticus. Uit een brief aan zijn zus Trudy blijkt echter dat het verblijf in Parijs hem door de bank genomen erg tegenviel. Couperus keerde in januari 1891 alweer terug naar Den Haag, in verband met het overlijden van G.L. Baud, de grootvader van Elisabeth. Op 9 september 1891 trouwde hij met haar; de huwelijksreis ging naar Vlaanderen. Er bestaan echter sterke vermoedens dat Couperus homoseksueel was (hoewel dit tijdens zijn leven nooit ergens publiekelijk is bevestigd) en het huwelijk met Elisabeth Baud lijkt dan ook kuis te zijn gebleven. Het huwelijk met haar is dan ook wel uitgelegd als een maatschappelijk alibi en een oplossing voor de behoefte die de "benjamin" Couperus zelf bleef hebben aan moederlijke zorg. Informeel noemde hij haar bij haar bijnaam Pop.
Op 21 september betrok het paar de woning Villa Minta aan de Roeltjesweg, sinds 1935 Couperusweg 15, in Hilversum. In december van hetzelfde jaar werd Couperus door Lambertus Jacobus Veen van uitgeverij L.J. Veen benaderd om Extaze uit te geven.
In februari 1893 begon Couperus aan een reis naar Italië en kwam aan in Florence. Op 15 februari, slechts twee weken nadat Couperus uit Nederland was vertrokken, overleed zijn moeder, zodat hij terug naar huis moest. In september reisde hij opnieuw af naar Italië, waar hij zijn eerste reisimpressies schreef. In december reisde hij door naar Rome. Hij sloot deze reis af met een bezoek aan Athene, waar hij wegens de armoedige omstandigheden maar korte tijd bleef.
In december 1893 werd Couperus redacteur van het maandblad De Gids. In april 1894 reisde hij opnieuw af naar Italië en bezocht in Florence Ouida, de door hem sterk bewonderde schrijfster van kasteelromans. Kort voor haar dood zou hij haar nog eens ontmoeten. In juli 1894 betrok hij het huis aan de Jacob van der Doesstraat 123 in Den Haag. Couperus' vriend Gerrit Jäger pleegde in de maand erop zelfmoord.
Couperus trad op 30 april 1895 af als redactielid van De Gids. Hij vertrok in oktober weer naar Italië, waar hij in Rome de beeldhouwer Pier Pander leerde kennen. Ook in drie jaar daarna reisde hij veel binnen Europa. Hij ging vaker naar Frankrijk, Duitsland en Engeland. In 1897 zegde Couperus zijn lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op, omdat hij van plan was naar het buitenland te vertrekken.
Op 31 augustus, de zeventiende verjaardag van koningin Wilhelmina, werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Minister van Binnenlandse Zaken Goeman Borgesius had Couperus als twaalfde en laatste kandidaat voor een benoeming tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw voorgedragen. De dichteres Hélène Swarth had volgens de voordracht van de ministerraad bij dezelfde lintjesregen Ridder in de Orde van Oranje-Nassau moeten worden. Koningin-regentes Emma vond twee letterkundigen die tegelijk gedecoreerd zouden worden echter te veel. De keus viel op Couperus, maar voor de pas 31-jarige schrijver werd een benoeming in de exclusievere Orde van de Nederlandse Leeuw voorlopig te hoog geacht.
In 1898 maakte Couperus een reis naar Londen. Het jaar daarop, in februari, volgde een reis naar Nederlands-Indië, waar hij in juni enige tijd verbleef te Tegal bij zijn zuster Trudy en zwager, resident Gérard de la Valette. Na de benoeming van De la Valette tot resident van Pasoeroean verbleven Couperus en zijn vrouw ook daar in het residentiehuis. Couperus begon hier aan zijn roman De stille kracht, waarin Valettes residentie model stond voor de woning van een van de hoofdpersonen, de resident Otto van Oudijck.
In februari 1899 reisden Couperus en zijn vrouw naar het Franse Nice, waar ze hun intrek namen in een hotel in de Rue Rossini Van daaruit reisden ze naar Genua. De maand daarop gingen ze weer naar Nederlands-Indië. Een jaar later, in maart 1900, keerde Couperus terug naar Nederland. In deze tijd voltooide hij De stille kracht. In augustus van dat jaar gingen Couperus en zijn vrouw naar Duitsland en Zwitserland, waar ze Wiesbaden, Baden-Baden en Lausanne aandeden, onder meer voor familiebezoeken. In oktober reisde hij samen met zijn vrouw opnieuw af naar Nice, waar ze op 8 oktober hun intrek namen in de 'Villa Jules', in een zijstraat van de toenmalige Avenue Saint-Maurice:139-140/153-155 De komende tien jaar zouden ze vooral in Frankrijk verblijven. Couperus maakte van daaruit meerdere reizen naar Italië, waarbij hij onder andere Florence en Rome opnieuw bezocht.
In de periode februari-juli 1901 schreef hij het tweede deel van Boeken der Kleine Zielen. In 1902 had hij in Genève een ontmoeting met Willem Gerard van Nouhuys, met wie hij ging samenwerken. In juli van datzelfde jaar overleed zijn vriend en vroegere mentor Jan ten Brink. Op 13 oktober 1902 overleed ook Couperus' vader John Ricus op 86-jarige leeftijd.:193-194
In januari 1903 richtte Couperus, samen met Cyriel Buysse en Van Nouhuys, het literaire tijdschrift Groot Nederland op. Hierin verscheen een jaar later in delen zijn volgende bekende werk, de familieroman Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan.... In deze tijd legde hij zich opnieuw op het dichten toe, en schreef een reeks sonnetten gewijd aan de beelden die waren gemaakt door zijn vriend Piet Pander, die hij in deze tijd weer ontmoette. Dit wordt wel gezien als het begin van de periode waarin Couperus zich in zijn eigen oeuvre veel meer op de klassieke oudheid ging richten. Couperus liet Pander ook een marmeren portret van Elisabeth maken.:200
In mei 1904 kocht L.J. Veen voor een groot bedrag de rechten op van alle tot dan toe verschenen werken van Couperus.
In de periode 1906-1910 heeft Couperus betrekkelijk weinig geschreven. Omdat zijn boeken in die jaren slecht verkochten, nam hij zich voor geen nieuwe romans meer te schrijven. Hij vertrok in mei 1906 van Villa Jules naar Venetië en verbleef in juni te Bagni di Lucca, waar hij Giulio Lodomez ontmoette, die hij later zou laten figureren in romans als Orlando. Hij bracht tevens een nieuw bezoek aan Ouida in Camaiore. Het was inmiddels vrij stil rond hem geworden: er werd nog maar weinig over hem geschreven en zijn boeken werden nog zelden besproken, en dan alleen nog met lauwe beoordelingen.
In Florence beschikte Couperus tot 1915 over grote vertrekken in een Zwitsers pension op de derde verdieping van het Palazzo Niccolini.
In december 1909 begon Couperus zijn wekelijkse feuilletons in Het Vaderland en langere verhalen in Groot Nederland te publiceren. Hij wenste voortaan geen romans meer te schrijven. Hij schreef rond 1909 veel korte stukken waarin de oudheid centraal stond. Dat werk werd later in twee bundels verzameld die de titel Antieke verhalen, van goden en keizers, van dichters en hetaeren en Schimmen van schoonheid kregen. Antiek toerisme kan worden beschouwd als een wat langer uitgevallen verhaal over het oude Rome en, als exotisch decor voor de Romeinse hoofdpersoon, het door Rome onderworpen Egypte.
In augustus 1908 begonnen Couperus en zijn vrouw een pension in Nice; Couperus schreef enige korte verhalen en begon op 27 november 1909 met een wekelijks feuilleton in Het Vaderland. In mei 1910 overleed zijn broer Frans. In december werd het pension in Nice beëindigd. Tot 1912 ondernam het echtpaar reizen naar Italië en Sicilië; in de laatste week van 1911 vertrokken ze vanuit Florence richting Sicilië. Wegens het slechte weer moesten ze enkele dagen in Napels blijven, waarbij ze de gelegenheid aangrepen om het Museo Archeologico Nazionale te bezoeken. In 1913 volgde een drie maanden durende reis door Spanje, samen met 'Orlando'. In september pleegde zijn vriend Johan Hendrik Ram zelfmoord. In maart 1914 won Couperus de Nieuwe Gids-prijs voor Antiek toerisme. Hij verbleef in juli 1914 een tijdje in München.
In februari 1915 moesten Couperus en zijn vrouw vanwege de Eerste Wereldoorlog terugkeren naar Den Haag. Ze namen in eerste instantie hun intrek bij Couperus' zuster en zwager aan de Molenstraat, waarvan Couperus de volgende maand in Het Vaderland verslag deed. In augustus 1915 betrok hij een appartement op de Hogewal. Er zijn aanwijzingen dat Couperus door deze gedwongen terugkeer zo wanhopig was, dat hij even over zelfmoord heeft nagedacht. In Den Haag trad Couperus nu voor het eerst op als voordrachtskunstenaar in kunstzaal Kleykamp in Den Haag. Hij ging aan de Hoge Wal 2 wonen en schreef opnieuw feuilletons voor Het Vaderland. In november bezocht hij Cyriel Buysse, waar hij de schrijver en sportman Henri van Booven ontmoette, zijn latere biograaf.
In het voorjaar van 1916 schilderde Antoon van Welie zijn portret; daarnaast correspondeerde hij met de classicus W.E.J. Kuiper over diens essay betreffende Couperus' werk. Hij werd door de journalist S.F. van Oss aangenomen als medewerker van de Haagse Post en hield een interview met André de Ridder. Vermoed wordt dat Couperus omstreeks 1917 is begonnen aan zijn nooit voltooide roman Zijn aangenomen zoon, waarvan later een fragment is teruggevonden.
In oktober 1918 vond in Theater Heerengracht (theater Verkade) de première plaats van een toneelbewerking, door Elisabeth Couperus, van Eline Vere; de belangrijkste actrice in het stuk was Else Mauhs.


In mei 1918 overleed Louis Couperus' zus Trudy. Bij de ramp met het stoomschip Amstel kwam in april 1919 ook Couperus' lievelingsneef Frans Vlielander Hein, aan wie hij De Ode had opgedragen, om, samen met diens echtgenote Enny Vrede. Enkele maanden later schreef Couperus een nieuw testament, zijn derde. Daarin werd net als bij de vorige zijn vrouw als enig erfgenaam aangewezen, maar mocht zij eerder overleden zijn of tegelijk met hem sterven, dan zou er voor twee van zijn jeugdige nichtjes elk duizend gulden bestemd zijn. Voorts zou er met het resterende vermogen een stichting moeten worden opgericht om een naar Couperus genoemde prijs uit te kunnen reiken. Uit de rente van het kapitaal zou jaarlijks een bedrag moeten worden gegeven aan 'een Nederlandschen letterkundige (man of vrouw)', waarbij niet alleen moet worden 'gelet op de voortreffelijkheid van eenig met den prijs te bekronen werk, maar zeer zeker ook op de meer of minder gunstige financieele omstandigheden van hem of haar die voor den prijs in aanmerking kan komen'. Mocht Elisabeth haar man overleven, dan gaf hij haar in overweging 'zonder intusschen eenigen moreelen drang dienaangaande op haar te willen uitoefenen' de bedoelde stichting op te richten. Maar omdat Couperus inderdaad eerder overleed dan zijn vrouw, kwam de stichting niet tot stand.
In oktober 1920 ondernam Couperus een reis naar Algiers. Op de terugweg deed hij Parijs aan en in juni 1921 reisde hij naar Londen. In februari 1922 maakte hij, als speciaal correspondent van de Haagse Post, een nieuwe reis naar Azië. Hij ging eerst naar Sumatra, Java en Bali. Op weg naar Indië deed hij hierbij voor de laatste keer in zijn leven Italië – deze keer Genua – aan. Hij logeerde op Sumatra onder meer bij gouverneur L.C. Westenenk. In deze tijd, in 1921, werd hij gefotografeerd door de toen wereldberoemde portretfotograaf Emil Otto Hoppé. Couperus bezocht tijdens deze reis ook nog China en Japan. In februari werd hij ernstig ziek tijdens zijn tocht door Japan en lag gedurende zeven weken in een Japans ziekenhuis. In oktober 1922 was hij weer terug in Den Haag.
Ter gelegenheid van Couperus' zestigste verjaardag werd er een feestcomité gevormd. Er kwam een receptie en Louis Couperus kreeg ongeveer 12.000 gulden aangeboden. Het geld was door meer dan 500 personen en instellingen bijeengebracht voor de bouw van het huis in De Steeg waar hij zijn intrek zou nemen. Couperus' verjaardag werd groots gevierd in Den Haag, waarbij Lodewijk van Deyssel een toespraak hield en Couperus alsnog werd benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Begin juni 1923 trok het echtpaar Couperus in het huis, genaamd 't Sunneke, in De Steeg. Slechts zes weken later overleed de schrijver aldaar. Heden ten dage herinnert een bordje op de plek waar 't Sunneke heeft gestaan nog aan Couperus.
Couperus overleed mogelijk aan een soort tuberculeuze bloedvergiftiging of een longvliesontsteking met een bloedvergiftiging. Op 19 juli vond de crematie op Westerveld plaats. Zijn as werd later overgebracht naar Oud Eik en Duinen.
Reeds tijdens zijn leven genoot Couperus niet alleen in het Nederlandse taalgebied, maar ook daarbuiten een zekere reputatie. Zijn werk werd veelvuldig vertaald, in Duitsland met name door Else Otten, in Engeland vooral door Alexander Teixeira de Mattos en later in Italië door Giacomo Prampolini.
Tegen het einde van zijn leven was Louis Couperus dan wel een beroemd schrijver, maar zijn boeken verkochten slecht. De waardering voor Couperus' werk begon al tijdens zijn leven terug te lopen. Na zijn dood leek Couperus enige tijd in de vergetelheid te raken. Sommige eerste drukken waren tot in de jaren 40 nog uit voorraad leverbaar. Bij zijn honderdste geboortedag in 1963 was echter een opleving onmiskenbaar. Met name voor zijn romans was er steeds weer opnieuw belangstelling. Het verschijnen van een aantal biografieën, waaronder met name die van Frédéric Bastet uit 1987 en bewerkingen van zijn boeken voor toneel, film en televisie hebben daar zeker aan bijgedragen.
In de laatste decennia van de 20e eeuw verscheen het werk van Couperus in een vijftigdelige wetenschappelijke editie, en aan de schrijver en zijn werk werden tal van artikelen en boeken gewijd. In 1993 werd het Louis Couperus Genootschap opgericht om liefhebbers van zijn werk bijeen te brengen en wetenschappelijk onderzoek naar het leven en het oeuvre van de auteur te stimuleren. Het Louis Couperus Genootschap riep het jaar 2013 uit tot Louis Couperus Jubileumjaar. De 150ste geboortedag op 10 juni 2013 was aanleiding om Louis Couperus (opnieuw) onder de aandacht van de lezer te brengen.
Vroeger werd gedacht (op grond van een stamboom uit 1898) dat de familie afstamde van de Schotse familie Cowper, maar deze hypothese werd in 1962 ontkracht.
In deze families werd vrij veel onderling getrouwd. Ook Louis Couperus trouwde met zijn eigen achternicht Elisabeth Baud. Haar beide grootmoeders waren zussen van Couperus' vader.
| Abraham Couperus (1752-1813) Gouverneur van Nederlands-Malakka | Catharina Johanna Koek (1763-1843) | Willem Jacob Cranssen (1762-1821) Gouverneur van Ternate | Maria Eleonora Hartman (1773-1805) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| jhr. Jan Cornelis Reijnst (1798-1871) Waarnemend gouverneur-generaal van Nederlands-Indië | Catherina Geertruida Scherpingh (1805-1831) | Petrus Theodorus Couperus (1787-1823) Landdrost der Buitenzorgse en Preangerlanden | Catharina Rica Cranssen (1795-1846) | mr. Johan Daniël Steenstra Toussaint (1779-1863) Burgemeester van Aarlanderveen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| jkvr. Catharina Geertruida Reijnst (1829-1893) | John Ricus Couperus (1816-1902) Raadsheer | Wilhelmina Jacobina Theodora Couperus (1818-1899) | Guillaume Louis Baud (1801-1891) Minister van Koloniën | Elisabeth Wilhelmina Petronella Couperus (1821-1889) | dr. Abraham Johan Daniël Steenstra Toussaint (1813-1876) Arts | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Jan Carel Willem Ricus Theodore Baud (1838-1883) Assistent-resident van Meester Cornelis | Johanna Wilhelmina Petronella Steenstra Toussaint (1844-1927) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Louis Marie Anne Couperus (1863-1923) Schrijver | Elisabeth Wilhelmina Johanna Baud (1867-1960) Vertaler en letterkundige | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||




Dit is een lijst van de uitgaven in boekvorm van het werk van Couperus.
Een uitputtend overzicht van alle eerste én volgende drukken van Couperus (inclusief verwijzing naar eerste publicaties in kranten en tijdschriften en (verblijfplaatsen van) handschriften) geeft:
Tussen 1952 en 1957 verschenen bij uitgeverij Van Oirschot de Verzamelde werken in twaalf delen. Door de gehanteerde editietechniek (met name de gemoderniseerde spelling en de keuze van de teksten) was deze uitgave meteen omstreden. De gesubsidieerde uitgave kon ondanks de zogenaamde Couperus-rel niet worden tegengehouden. In 1975 verscheen van deze uitgave nog een tweede druk. Bij gebrek aan 'beter' is in publicaties tussen 1952 en 1996 veel naar deze uitgave verwezen. De Verzamelde werken bestaan uit de volgende delen:
Tussen 1987 en 1996 verscheen bij uitgeverij Veen een uitgave van de Volledige Werken Louis Couperus in 50 delen, gebaseerd op de actueelste editietechniek en onder auspiciën van het Bureau Basisvoorziening Tekstedities der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, vanaf 1993 onder auspiciën van de Afdeling Neerlandica van het Constantijn Huygens Instituut der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Deze wetenschappelijk verantwoorde, tekstkritische leesuitgave geldt sinds haar verschijnen als de standaardeditie van Couperus' werk. De Volledige Werken Louis Couperus bestaat uit de volgende delen:
In 1963 verscheen er een speciaal nummer van het tijdschrift Maatstaf waarin een groot aantal (fragmenten van) brieven werd gepubliceerd:
De belangrijkste brievencollectie die daarna werd gepubliceerd was die aan zijn uitgever, L.J. Veen, bezorgd door de biograaf Frédéric Bastet in twee delen:
Deze werd aangevuld nadat ook de brieven van Veen aan Couperus werden ontdekt:
Daarnaast werden nog gepubliceerd:
De brievenuitgave die circa 1400 brieven bevat en de meeste van de hiervoor genoemde uitgaven overbodig maakt, verscheen in 2013:
Daarnaast verschenen tientallen brieven niet als zelfstandige uitgaven maar in andere publicaties (zoals in de biografie van Henri van Booven of de studie van Karel Reijnders), of in tijdschriften als Arabesken of De Parelduiker.
Bekende toneelstukken en televisieseries op basis van Couperus' werk zijn:
De meeste handschriften (brieven worden hier niet onder begrepen) bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek of in het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag. Een zeer klein aantal handschriften bevindt zich nog in particulier bezit, hoeveel is onduidelijk. Zo werd in 2005 nog het handschrift De oermensch en de complicatie der dingen aangeboden op de veiling van de nalatenschap van Boudewijn Büch. In oktober 2010 ging een handschrift uit particulier bezit (namelijk van verzamelaar Pieter Berend Oudemans, 1960-2005), Elyata, over naar de openbare collectie van Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek in Deventer. Deze bibliotheek suggereerde ten onrechte in het bijgaande persbericht dat het hier zou gaan om het laatste handschrift van Couperus in particulier bezit.
Veel van zijn boeken zijn in het buitenland meerdere malen herdrukt. De roman De berg van licht bijvoorbeeld verkocht in Duitsland (als Heliogabal) veel beter dan in Nederland. Oscar Wilde las in 1892 de Engelse vertaling van Couperus' tweede roman Noodlot, Footsteps of fate, en schreef Couperus een brief om hem te complimenteren met diens werk. Elisabeth vertaalde datzelfde jaar Wilde's roman The picture of Dorian Gray. Gerrit Jäger maakte een toneelbewerking van Noodlot. Couperus verkreeg bij leven de D.A. Thiemeprijs voor Eline Vere, in 1914 de Nieuwe Gids-prijs voor Antiek toerisme en in 1923 de Tollens-prijs voor zijn hele oeuvre.
Met name de bibliograaf Ronald Breugelmans heeft veel onderzoek gedaan naar vertalingen van Couperus' werk. Dit resulteerde in 1989 in diens publicatie Louis Couperus in den vreemde waarvan in 2008 een uitgebreide en herziene druk verscheen, onder andere met daarin de brieven van Couperus aan de vertaler Alexander Teixeira de Mattos (1865-1921). In Breugelmans' publicaties zijn alle bekende vertalingen van Couperus' werk opgenomen:
Vanaf 2019 zijn enkele klassieke werken van Couperus hertaald naar moderner Nederlands, bijvoorbeeld door Albert Kroezemann (Langs lijnen van geleidelijkheid) en Michelle van Dijk (Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan…).
Van Couperus verscheen een aantal biografieën.
Daarnaast is een groot aantal studies verschenen over leven en/of werk van Couperus.
Een selectie:
Een naslagwerkje met feiten over de werken en het leven van Couperus is Tijdladder Louis Couperus. Een chronologisch overzicht van zijn leven en werk, 2003
Het Louis Couperus Genootschap draagt bij aan de studie van de schrijver door de uitgave van:
Het Louis Couperus Museum (1996-2024) droeg bij aan de studie van Couperus door de organisatie van twee tentoonstellingen per jaar die altijd gepaard gingen met een bijbehorende publicatie.
In 2006 verscheen een overzicht van de bibliofiele uitgaven van en over Louis Couperus van Arnold Pippel en Menno Voskuil: Het boek van adel. Bibliofiele uitgaven van en over Louis Couperus : 1919-2006, 2006
In 2013 verscheen Luxe, bijzondere en bibliofiele uitgaven van Louis Couperus 36 pagina's, samengesteld en uitgegeven door Evert Paul Veltkamp in een oplage van 33 exemplaren
De belangrijkste collectie van en over Louis Couperus, die in 2006 door het rijk werd aangekocht, werd bijeengebracht door Jan Eekhof.