Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Kemp door de Duitse bezettingsmacht als gijzelaar gevangen gezet.
Op 12 maart 1951 werd Mathias Kemp ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag gehuldigd. Op dat moment waren er al plannen voor de instelling van de Mathias-Kempprijs.
Stijl
De poëzie van Kemp is zijn eigenlijke levenswerk; zij maakt ook het beste deel uit van zijn hele oeuvre. Er zijn dertien bundels gepubliceerd. In ieder deel is de dichter minstens interessant door het visionaire element. Zo had hij grote vragen bij het gebruik van kernenergie, plutonium en alles wat daarmee samenhangt.
Na de eerste delen met romantische schilderingen van bovenaardse schoonheid is ook de actualiteit in zijn gedichten gekomen. Hij bleef die kritisch bekijken en beschouwen: de menselijke glorie, de evolutie, de modieuze uitingen van intellectuelen en de misdragingen van machthebbers.
Met deze bundel toonde Kemp hoezeer hij onder de katholieke jongeren een eigen plaats bleef innemen door zijn afkerigheid van de vermenging van geloofspropaganda met poëzie. Zijn werk staat daar dan ook los van, wat de duurzaamheid ervan ten goede zou komen.
De groote drijver. Drama in acht tafereelen en negen perspectieven(Digitale versie)
1926 De geest in Limburg. Herdr. van een reeks artikelen, die in sept. 1925 verschenen in De Maasbode (Digitale versie)
1927 De groote drijver. Drama in acht tafereelen en negen perspectieven(Digitale versie)
1928 Zuid-Limburg. Foto's met bijbehorende beschrijvingen in het Nederlands, Engels, Frans en Duits. Woord vooraf in het Nederland van Mathias Kemp (Digitale versie)
1929 De wateraftappingen op de Maas. Overdr. uit: De Limburgse Koerier, 5 Sept. 1929 (Digitale versie)
De bonte storm. Een carnavalsroman] (1929). Roman, handelend over de viering van het carnaval en een karikatuur leverend van de katholieke jongeren van die tijd. (Digitale versie)
1937 Van der Grenskant. Bundel journalistieke artikelen, waarin Mathias zijn liefde voor de Limburgers en het Limburgs landschap betuigt. (Digitale versie)
1941 Noodzakelijk pro memorie. De Limburgsche Maaslanden in de geschiedenis der Nederlanden. Oorspr. verschenen als artikelen in "De Nedermaas" (Digitale versie)
Zalig zijn de zachtmoedigen (1942). Toneelstuk, handelend over het atoomvraagstuk.
Zwarte Verzen 1 (1942). Proefdrukken voor literaire kennissen (ontbreekt in: Dirk de Jong, Het vrije boek in onvrije tijd, Interboek Internationaal, Schiedam, 1978)
Zwarte Verzen 2 (1943). Proefdrukken voor literaire kennissen (idem: niet in de Jong)
Onder de rosse komeet. Verzen (1945). Deze gedichten, merendeels geschreven in de oorlogsjaren, verschenen als zwarte verzen, in twee stellen drukproeven (voor litteraire kennissen) in de jaren 1942 en 1943. Enkele uit 1944 zijn daaraan toegevoegd. Ze weerspiegelen niet volledig gevoelens en gedachten in deze hachelijke jaren, wat uit het uit te geven werk blijken zal. (Digitale versie)
uitgave: "Veldeke", Maastricht, MCMXLV, 38 blz., gedrukt in een 10p schreefloze letter, handzetsel zonder interlinie. verlucht met een houtsnede van de heilige Maria.
1945 Zalig de zachtmoedigen. Tooneelspel in vijf bedrijven(Digitale versie)
Limburg in de Wereldbrand (1946). Bundel artikelen over de jaren 1940-1945
1948 Henri Hermans in het Limburgsche muziekleven: gedenkboek samengesteld in opdracht van het "Comité tot herdenking van Henri Hermans"
Schimmen uit het Plutonium (1949). In deze bundel worden fatale atoom-dreigingen als profetische beelden opgeroepen. (Digitale versie)
Eikenbloesem (1953), Amsterdam, Veldeke, 54 blz. Met houtgravuren van Gèr Huntjens. Oplage 175 genummerde exx.
Arsenaal uit het onderbewuste. Bijdrage tot de morphologie van de droom, Maastricht, 43+3 blz., 90 exx, in eigen beheer uitgegeven, niet in de handel. (1957)
↑Het huldigingscomité bestond uit: dr. M. van Can (voorzitter), Jef Hoogmans te Hasselt, drs. J. Notermans (beiden vicevoorzitters), mr. drs. H. Wouters (secretaris), mr. H. Spitz (penningmeester), J. Schoenmaeckers (2e secretaris), broeder Roberts (drs. Meesters) en J. Defesche (leden). Beschermheren van het comité waren: de minister van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, de Commissaris der Koningin in Limburg, de gouverneur van Belgisch-Limburg; ere-voorzitter was mr. W. baron Michiels van Kessenich, burgemeester van Maastricht.