| Max Britzelmayr | ||
|---|---|---|
Max Britzelmayr | ||
| Persoonlijke gegevens | ||
| Geboortedatum | 7 januari 1839 | |
| Geboorteplaats | Augsburg | |
| Overlijdensdatum | 6 december 1909 | |
| Overlijdensplaats | Augsburg | |
| Nationaliteit | Duits | |
| Academische achtergrond | ||
| Standaardafkorting | Britzelm. | |
| Wetenschappelijk werk | ||
| Vakgebied | Mycologie, lichenologie, botanie | |
Max Britzelmayr (Augsburg, 7 januari 1839 – aldaar, 6 december 1909) was een Duits onderwijzer, mycoloog en lichenoloog. Hij is vooral bekend door zijn onderzoek naar de schimmels en korstmossen van Zuid-Beieren, in het bijzonder de hymenomyceten. Zijn botanisch-mycologische auteursafkorting is Britzelm.
Britzelmayr werd geboren in Augsburg als zoon van een onderwijzer. Hij volgde een opleiding aan het lerarenseminarie in Lauingen, waar hij in 1859 zijn eerste onderwijsexamen aflegde. In 1861 behaalde hij zijn aanstellingsexamen. Aanvankelijk werkte hij als hulponderwijzer en vanaf 1865 als leraar in Augsburg. In 1873 werd hij benoemd tot Kreisschulinspektor, een functie waarbij hij toezicht hield op het onderwijs in een schooldistrict.
Naast zijn werkzaamheden in het onderwijs ontwikkelde Britzelmayr een belangstelling voor de natuurwetenschappen. Hij hield zich aanvankelijk bezig met hogere planten en richtte zich vervolgens op korstmossen en schimmels. Volgens de mycoloog Sebastian Killermann werd zijn belangstelling voor de botanie mede gewekt door de benedictijn Rauch, die verbonden was aan het klooster St. Stephan in Augsburg.
Britzelmayr beschikte over een grote vaardigheid in tekenen en schilderen. Deze gebruikte hij bij het vervaardigen van wetenschappelijke afbeeldingen van schimmels. Hij was daarnaast actief als musicus en dichter.
In 1899 ging hij wegens gezondheidsproblemen met pensioen. Hij overleed op 6 december 1909 in zijn geboorteplaats Augsburg, op 70-jarige leeftijd.
Britzelmayr begon in de jaren 1870 met systematisch onderzoek naar de schimmelflora van Zuid-Beieren. Zijn belangrijkste wetenschappelijke bijdrage bestaat uit een omvangrijke reeks publicaties onder de titel Hymenomyceten aus Südbayern, waarvan de eerste aflevering in 1879 verscheen. Hierin beschreef en illustreerde hij talrijke soorten plaatjeszwammen, boleten en andere hymenomyceten.
Zijn onderzoek was voornamelijk gebaseerd op eigen veldwaarnemingen en verzameld materiaal. Tijdens het paddenstoelenseizoen bezocht hij regelmatig de Allgäuer Alpen, waar hij vruchtlichamen verzamelde. Deze onderzocht hij vervolgens thuis, waarbij hij zowel de uiterlijke kenmerken als de microscopische eigenschappen vastlegde.
Zijn publicaties bevatten uitvoerige soortbeschrijvingen, vindplaatsgegevens en afbeeldingen. Bij zijn tekeningen besteedde hij onder meer aandacht aan de vorm en afmetingen van de sporen. Volgens Killermann behandelde Britzelmayr ongeveer 2.000 soorten en omvatte zijn werk in totaal 761 illustratieplaten, waarvan een deel in kleur werd gedrukt.
Britzelmayr stelde gedurende zijn onderzoeksperiode bijna 600 soorten als nieuw voor. De geldigheid en taxonomische zelfstandigheid van veel van deze soorten werden later betwijfeld. Onder anderen Giacomo Bresadola uitte kritiek op de grote aantallen nieuw beschreven soorten. Omdat van veel vondsten geen gedroogd referentiemateriaal beschikbaar was, bleek het achteraf moeilijk om de oorspronkelijke soortafbakeningen te controleren.
Desondanks vormden zijn publicaties een belangrijke documentatie van de historische schimmelflora van Zuid-Beieren. Vooral zijn vindplaatsgegevens en illustraties bleven van betekenis voor later mycologisch onderzoek.
Tot de soorten die Britzelmayr beschreef, behoren de kleine knolvezelkop (Inocybe assimilata), waarvan hij de naam in 1881 publiceerde, en de soort die oorspronkelijk als Agaricus alpinus werd beschreven en tegenwoordig bekendstaat als Lichenomphalia alpina.
Naast zijn mycologische onderzoek bestudeerde Britzelmayr de korstmossen van de omgeving van Augsburg en de Beierse Alpen. In 1900 publiceerde hij Die Lichenen der Allgäuer Alpen, waarin hij de korstmossenflora van de Allgäuer Alpen behandelde.
Hij stelde eveneens verschillende exsiccatenverzamelingen samen. Dit waren genummerde reeksen gedroogde en gedocumenteerde exemplaren die aan wetenschappelijke instellingen en andere onderzoekers werden verspreid.
In 1903 verscheen zijn verzameling Lichenes exsiccati aus der Flora Augsburgs, met de nummers 1 tot en met 280. De reeks werd later voortgezet met aanvullende verzamelingen. Exemplaren hiervan worden bewaard in diverse botanische collecties.
Het werk van Britzelmayr werd na zijn overlijden door verschillende mycologen opnieuw onderzocht. Sebastian Killermann besteedde in zijn studies over de Beierse schimmelflora veel aandacht aan de door Britzelmayr beschreven soorten en de interpretatie daarvan.
Later verrichtten de Duitse mycologen Johann Stangl en Andreas Bresinsky uitgebreid revisieonderzoek naar de soorten uit zijn publicaties. Zij publiceerden onder de titel Beiträge zur Revision M. Britzelmayrs „Hymenomyceten aus Südbayern“ meerdere bijdragen over de taxonomie van zijn vondsten, waaronder studies naar de geslachten Lactarius en Inocybe.
De oorspronkelijke aquarellen, tekeningen en illustratieplaten vormen eveneens een historisch document van de mycologie in de negentiende eeuw. Verschillende van zijn geïllustreerde publicaties zijn bewaard gebleven en gedigitaliseerd, onder andere door de Bayerische Staatsbibliothek.
Voor zijn werkzaamheden in het onderwijs en zijn wetenschappelijke activiteiten ontving Britzelmayr verschillende onderscheidingen: