| Meelkop | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Meelkop (Cortinarius caperatus) | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Cortinarius caperatus (Pers.) Fr. (1838) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Rozites caperatus | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De meelkop (Cortinarius caperatus) is een ectomycorrhizavormende paddenstoel uit de familie Cortinariaceae. De soort onderscheidt zich van de meeste andere gordijnzwammen door de opvallend gerimpelde, geelbruine hoed met een witachtige tot lichtviolette berijping en de goed ontwikkelde, vliezige ring om de steel.
De meelkop groeit voornamelijk in naaldbossen op voedselarme, zure bodems. In Nederland is hij vooral bekend als mycorrhizasymbiont van de grove den (Pinus sylvestris), maar elders vormt hij ook mycorrhiza met loofbomen. De soort wordt in Nederland als verdwenen beschouwd.
De soort werd in 1796 door Christiaan Hendrik Persoon oorspronkelijk beschreven als Agaricus caperatus. In 1838 bracht Elias Magnus Fries hem onder in het geslacht Cortinarius. De huidige wetenschappelijke naam is Cortinarius caperatus (Pers.) Fr.
Vanwege de aanwezigheid van een vliezige ring en een goed ontwikkeld velum werd de soort in 1879 door Petter Adolf Karsten ondergebracht in het geslacht Rozites, onder de naam Rozites caperatus. Bij de meeste andere gordijnzwammen is het gedeeltelijke velum daarentegen spinnenwebachtig en blijft na het openen van de hoed doorgaans slechts een vezelige ringzone achter.
Moleculair fylogenetisch onderzoek van Peintner, Horak, Moser en Vilgalys uit 2002, gebaseerd op DNA-sequenties van de ITS- en LSU-regio's van het ribosomale DNA, toonde aan dat Rozites geen afzonderlijke natuurlijke evolutionaire groep vormt. De onderzochte soorten bleken binnen Cortinarius te vallen. Daarom wordt Rozites tegenwoordig als taxonomisch synoniem van Cortinarius beschouwd.
De soortaanduiding caperatus betekent 'gerimpeld' en verwijst naar het karakteristieke oppervlak van de hoed.
De hoed is doorgaans 4–15 cm breed. Aanvankelijk is hij halfbolvormig tot klokvormig, later gewelfd tot uitgespreid, vaak met een brede, stompe umbo. De kleur varieert van strogeel en okergeel tot geelbruin of licht oranjebruin. Het oppervlak is droog en vooral bij oudere vruchtlichamen duidelijk radiaal gerimpeld of geplooid.
Jonge exemplaren hebben een opvallende witachtige tot grijsachtige, soms lichtviolet getinte berijping, die afkomstig is van resten van het algemene velum. Hierdoor kan de hoed een enigszins berijpt of geglaceerd uiterlijk hebben. Bij het ouder worden verdwijnt deze bedekking gedeeltelijk en wordt het oppervlak gladder tussen de rimpels. De hoedrand is aanvankelijk ingerold en wordt later recht of enigszins golvend.
De lamellen zijn aangehecht tot smal aangehecht, soms met een iets bochtige aanhechting. Ze staan betrekkelijk dicht opeen en worden afgewisseld door kortere tussenlamellen. Aanvankelijk zijn ze bleek, crèmekleurig tot licht kleikleurig. Bij rijping van de sporen verkleuren ze via okerbruin naar kaneelbruin of roestbruin.
De lamellen kunnen plaatselijk ongelijkmatig verkleuren, waardoor een gevlekt of enigszins gezoneerd uiterlijk ontstaat. De sneden blijven vaak lichter dan de lamelvlakken.
De steel is ongeveer 5–15 cm lang en 1–3 cm dik, cilindrisch en vaak enigszins verdikt aan de basis. Hij is stevig, aanvankelijk gevuld, witachtig tot bleek geelbruin en voorzien van fijne, overlangse vezels. Vooral onder de ring kan het oppervlak wat ruwer of vezeliger zijn.
Een opvallend kenmerk is de goed ontwikkelde, vliezige, witachtige ring die zich gewoonlijk rond het midden of iets daarboven bevindt. Deze is afkomstig van het gedeeltelijke velum dat bij jonge vruchtlichamen de lamellen bedekt. De ring blijft doorgaans langdurig aanwezig, staat vaak enigszins af en kan een verdikte, dubbele rand hebben. De bovenzijde is soms fijn radiaal gestreept.
Het vlees is witachtig tot bleek crèmekleurig, relatief dik en stevig in de hoed en vezelig in de steel. Bij doorsnijden treedt doorgaans geen duidelijke verkleuring op.
De geur is zwak, soms aangenaam paddenstoelachtig, maar niet uitgesproken karakteristiek. De smaak wordt als mild beschreven.
De sporenprint is okerbruin tot licht kaneelbruin. Vergeleken met veel andere gordijnzwammen heeft het sporenpoeder een betrekkelijk lichte, okerkleurige tint.
De basidiosporen zijn elliptisch tot amandelvormig, soms met een enigszins toegespitste top. Ze meten ongeveer 10–15 × 7–10 µm en hebben een matig wrattig oppervlak. De sporenwand is okergeel tot geelbruin gepigmenteerd.
De basidiën zijn knotsvormig, doorgaans viersporig en volgens Breitenbach en Kränzlin ongeveer 35–55 × 12–14 µm groot. Aan de basis komen gespverbindingen voor.
Pleurocystiden ontbreken. Aan de lamelsneden kunnen langwerpige, cilindrische tot knotsvormige randcellen voorkomen, die ongeveer 25–50 × 6–10 µm meten.
De hoedhuid (pileipellis) is opgebouwd als een cutis, bestaande uit min of meer evenwijdig aan het hoedoppervlak verlopende hyfen. De hyfen zijn ongeveer 2–12 µm breed, kleurloos tot lichtgeel en plaatselijk zwak geïncrusteerd. Aan de tussenwanden komen gespverbindingen voor.
De meelkop is een ectomycorrhizavormende schimmel die in symbiose leeft met de wortels van bomen. In Nederland is hij vooral verbonden met de grove den (Pinus sylvestris) en groeit hij in droge, voedselarme naaldbossen op zure, humusarme zandgrond.
Buiten Nederland is de soort ook bekend uit gemengde bossen en loofbossen. Als mogelijke mycorrhizapartners worden onder meer dennen (Pinus), sparren (Picea) en beuken (Fagus) genoemd. In Drenthe werd de soort in het verleden bovendien aangetroffen onder eiken (Quercus) in voedselarm loofbos bij het Zwanenmeer nabij Gieten.
De vruchtlichamen groeien afzonderlijk of in kleine groepen op de bosbodem, dikwijls tussen mossen of in de omgeving van bosbessenstruiken. De soort fructificeert voornamelijk vanaf de nazomer tot in de herfst.
De meelkop is gevoelig voor veranderingen in de voedselrijkdom en zuurgraad van de bodem. Vooral vermesting, onder meer door verhoogde stikstofdepositie, wordt als een belangrijke oorzaak van zijn achteruitgang in Nederland beschouwd. Ook verzuring heeft volgens de Nederlandse ecologische beoordeling een negatief effect op de soort.
De meelkop is door de combinatie van de sterk gerimpelde, berijpte hoed, de vliezige ring en de relatief lichte sporenprint doorgaans goed herkenbaar.
Een enigszins gelijkende soort is de goudhoed (Phaeolepiota aurea), die eveneens een duidelijke ring bezit. De goudhoed heeft echter een meer goudgele tot goudbruine, fijnkorrelige hoedbekleding en een doorgaans sterker gekleurde steel onder de ring. Bovendien is de goudhoed een saprotrofe soort die vooral op voedselrijkere standplaatsen voorkomt, terwijl de meelkop een ectomycorrhizaschimmel van voedselarme bossen is.
De meelkop heeft een ruime verspreiding op het noordelijk halfrond en is bekend uit Europa, Noord-Amerika en delen van Azië. In Noord-Europa, vooral in Scandinavië, kan hij plaatselijk talrijk zijn in naaldbossen. In Groot-Brittannië en Ierland is hij daarentegen een zeldzame soort.
In Nederland is de meelkop altijd een zeer zeldzame soort geweest. Historische vindplaatsen zijn bekend uit onder meer Zuidlaren, Bussum, het Hulshorsterzand, Bennekom en Winterswijk. De laatste gedocumenteerde Nederlandse melding dateert uit 1980.
In Drenthe werd de soort in 1934, 1937 en 1939 aangetroffen bij het Zwanenmeer nabij Gieten, waar hij onder eik groeide. De laatste Drentse melding dateert uit 1966 en was afkomstig uit de omgeving van Zuidlaren.
De meelkop staat op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen in de categorie 'Verdwenen'. Ook in de NDFF Verspreidingsatlas wordt de soort als verdwenen aangemerkt, aangezien er in de beoordelingsperiode 2004–2023 geen gevalideerde recente waarnemingen waren.
De achteruitgang wordt in verband gebracht met de vermesting van van oorsprong zeer voedselarme bosbodems. Daardoor zijn geschikte groeiplaatsen voor deze ectomycorrhizaschimmel sterk achteruitgegaan.