
Een meercellig organisme is een organisme dat uit meerdere cellen bestaat die gezamenlijk een functionerend geheel vormen. Meercelligheid komt voor bij vrijwel alle dieren en landplanten, de meeste schimmels en verschillende groepen algen.
Bij complexe meercellige organismen komt celdifferentiatie voor, waarbij cellen uiteenlopende vormen en functies aannemen, ondanks dat ze doorgaans hetzelfde genetische materiaal bevatten. De verschillende cellen kunnen zich organiseren in weefsels en organen. Er bestaan ook eenvoudigere meercelligen, zoals koloniale wieren, waarbij weinig of geen taakverdeling voorkomt.
Bijna alle levende wezens die met het blote oog waarneembaar zijn, zijn meercellig. Meercelligen hebben een levenscyclus waarin voortplanting wordt afgewisseld met fasen van groei en ontwikkeling. Meercelligheid is in de loop van de evolutie meerdere malen onafhankelijk ontstaan uit eencellige voorouders. Het geldt als een van de belangrijkste evolutionaire innovaties.
Meercelligheid is gedurende de evolutie tientallen keren onafhankelijk ontstaan, onder meer bij dieren, planten, schimmels, algen en zelfs bij bacteriën. De overgang van eencelligheid naar meercelligheid begon vermoedelijk doordat vroege eukaryoten na de celdeling niet volledig van elkaar splitsten, of doordat losse individuele cellen actief bij elkaar gingen zitten. Dit vormde een kolonie. Binnen zo'n meercellig verband ontstonden vervolgens mechanismen van celcommunicatie; de uitwisseling van biochemische signalen die groei en specialisatie reguleerden.
Een grotere lichaamsomvang biedt allerlei evolutionaire voordelen, zoals bescherming tegen predatie en een efficiënter gebruik van beschikbare voedingsstoffen. De ontwikkeling van complexe meercelligheid, met gespecialiseerde celtypen en een echte lichaamsontwikkeling, heeft veel minder vaak plaatsgevonden. Hiervoor waren veranderingen nodig in onder meer celadhesie, nieuwe signaalmechanismen en de regulatie van genexpressie. Een belangrijk vroeg voorbeeld van complexe meercelligheid is de fossiele roodwier Bangiomorpha pubescens, die ongeveer 1,05 miljard jaar oud is.

Een eenvoudige vorm van samenwerking tussen cellen is kolonievorming. Cellen blijven daarbij vaak na celdeling met elkaar verbonden of worden bijeengehouden door een gemeenschappelijke slijmlaag. In eenvoudige kolonies zijn de cellen doorgaans gelijkvormig en vertonen ze weinig of geen specialisatie of taakverdeling. Voorbeelden zijn de cyanobacterie Microcystis en verschillende soorten groenwieren, zoals Pediastrum en Gonium.
Bij sommige groenwieren hebben kolonies een vaste, regelmatige opbouw. Een dergelijke kolonie, met een kenmerkend aantal cellen in een bepaalde rangschikking, wordt een coenobium genoemd. Bij Volvox zijn de kolonies veel groter en bestaat al een duidelijke taakverdeling tussen lichaamscellen en voortplantingscellen.
Een belangrijk kenmerk van meercellig leven is celdifferentiatie, waarbij cellen zich ontwikkelen tot gespecialiseerde celtypen met verschillende vormen, groottes en biochemische functies. Hoewel alle cellen van een organisme hetzelfde genetische materiaal bevatten, komen in verschillende celtypen andere genen tot expressie. Afhankelijk van de locatie en functie van een cel worden bepaalde genen aan- of uitgeschakeld. Zo ontstaan bij dieren onder meer zenuwcellen, spiercellen en epitheelcellen; planten bezitten gespecialiseerde cellen voor fotosynthese, stevigheid en het transport van water en voedingsstoffen. De verschillende celtypen kunnen zich organiseren in weefsels en organen.
De regie achter dit differentiatieproces wordt gevormd door cellulaire signaaloverdracht, in de wetenschap bekend als cell signaling. Cellen communiceren met elkaar via signaalmoleculen, zoals groeifactoren of, om groei en ontwikkeling te reguleren. Bij zowel planten als dieren gebeurt dit vaak via specifieke receptoren en ionkanalen. De genetische en chemische afstemming van een organisme is een belangrijk onderwerp in de celbiologie.
Meercelligheid is meerdere malen onafhankelijk ontstaan en komt dus voor in verschillende delen van de evolutionaire stamboom, zowel bij eukaryoten als bij enkele bacteriën.
Binnen de eukaryoten behoren de dieren (Metazoa) en schimmels (Fungi) tot de Opisthokonta, een onderdeel van de supergroep Amorphea. De landplanten (Embryophyta) behoren tot de Archaeplastida, samen met onder andere de groenwieren en roodwieren, met verschillende meercellige groepen. De bruinwieren (Phaeophyceae) behoren daarentegen tot de Stramenopila, binnen de SAR-clade.
Eenvoudigere vormen van meercelligheid komen ook voor bij andere eukaryoten, zoals de sociale amoeben (Dictyostelia) binnen de Amoebozoa. Deze kunnen zich tijdelijk verenigen tot meercellige vruchtlichamen. Ook onder bacteriën komt meercelligheid voor, bijvoorbeeld bij filamenteuze cyanobacteriën en bij Myxococcus, die eveneens vruchtlichamen kunnen vormen.
| Biologische levenscycli bij meercellige organismen met geslachtelijke voortplanting | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Cyto- logische kernfase- wisseling |
Organisme type: | Haplont: | Diplont: | Diplohaplont = Haplodiplont: | ||||
| Kernfase; Kernfasewisseling: |
Haplofase; Haplofasisch |
Diplofase; Diplofasisch |
Haplofase ↻ Diplofase; Diplohaplofasisch = Heterofasisch | |||||
| Meiose moment: | Zygotisch ↓ | Gametisch ↓ | Sporisch ↓ Intermediair | |||||
| Morfo- logische generatie- wisseling |
Monogenetisch → | Monogenetische haplofasisch |
Monogenetische diplofasisch |
|||||
| Digenetisch → | Digenetische diplofasisch |
Digenetische diplohaplofasisch
| ||||||
| Trigenetisch → | Trigenetische diplohaplofasisch | |||||||
Er is bij meercellige organismen met geslachtelijke voortplanting een grote variatie in levenscycli. Groei en ontwikkeling van een meercelling individu kan plaatsvinden in de haploïde fase (bij haplonten) maar ook in de diploïde fase (bij diplonten) van de levenscyclus of ook in beide (bij diplohaplonten).
Er kunnen in de levenscyclus van een meercellig organisme een of meer afwisselende generaties voorkomen. Een generatie begint met een voortplantingscel (sporen of zygoten), en na een periode van duidelijke vegetatieve groei en ontwikkeling eindigt het met de vorming van andere reproductieve cellen, zoals sporen of gameten.
Voorbeelden: