| Meijer Mossel | ||||
|---|---|---|---|---|
| Algemene informatie | ||||
| Geboren | 10 januari 1910 Amsterdam | |||
| Overleden | 3 april 1978 Den Haag | |||
| Nationaliteit | ||||
| Religie | Joods | |||
| Beroep | onderwijzer, chazan | |||
| ||||
Meijer Mossel (Amsterdam, 10 januari 1910 - Den Haag, 3 april 1978) was een Nederlandse godsdienstonderwijzer en een van de bekendste naoorlogse chazans binnen het Nederlandse Jodendom.
Meijer Mossel was een van de vijf kinderen van Mozes Mossel (1872-1943) en Heintje Loeza (1872-1928). Hij was vernoemd naar de bekende rabbijn Meijer de Hond. Na de lagere school ging hij studeren aan het Nederlands Israëlietisch Seminarium. Op zeventienjarige leeftijd verliet hij het seminarium en werd godsdienstonderwijzer. Tegen het einde van de jaren twintig werd hij chazan (voorzanger) bij het Amsterdamse verpleeg- en bejaardentehuis De Joodse Invalide. In 1937 kreeg hij een aanstelling als chazan bij de synagoge aan de Amsterdamse Gerard Doustraat.
Halverwege 1943 moest Mossel onderduiken. Hij vond vanaf 28 juni 1943 een onderduikplek bij Casper ten Boom en zijn twee dochters Betsie en Corrie. Zij woonden aan de Barteljorisstraat 19 in Haarlem. Het huis met de bijnaam BéJé bood onderdak aan meer onderduikers en groeide in die periode uit tot verzetscentrum.
Van zijn medeonderduiker Hans Poley kreeg Mossel de bijnaam Eusi.
Op 28 februari 1944 deed de Sicherheitsdienst een inval en het hele gezin Ten Boom werd gearresteerd. Mossel wist met drie andere onderduikers en twee verzetslieden, die net op bezoek waren, de speciaal gebouwde schuilplaats te bereiken. De Sicherheitsdienst vermoedde dat er ergens onderduikers zaten, maar kon de schuilplaats nergens vinden. Daarom lieten ze politie achter in het pand. Mossel en de anderen zaten 2½ dag vast in de nauwe schuilplaats, totdat ‘goede’ agenten dienst hadden en ze konden ontsnappen.
Mossel werd door de Zaanse verzetsman Piet Bosboom ondergebracht bij het echtpaar Andries en Wijtske Selier. Later zat hij ondergedoken in het Friese IJlst, waar ook zijn vrouw Debora Mossel-Roos verbleef. Begin 1945 viel Mossel alsnog in Duitse handen. Hij kwam in Kamp Westerbork terecht, maar had het geluk dat er geen deportaties meer plaatsvonden. Daardoor maakte hij de bevrijding mee in Westerbork.
In verschillende bronnen komt naar voren dat Mossel bijzonder onvoorzichtig was tijdens zijn onderduikperiode. Zo werd Corrie ten Boom gewaarschuwd door een overbuur dat men Mossel, en andere Joodse onderduikers, hun religieuze rituelen zag doen. Nadat Mossel na 2½ dag uit zijn schuilplaats was ontsnapt en het huis verliet, begon hij midden op straat met een Joods dankgebed. Hij zong bovendien zijn Joodse gezangen zo hard dat het buiten op straat te horen was. Ten Boom noemde hem daarom “eigenlijk een groot kind. Hij kan zich maar niet voorstellen, dat alles aan hem en in hem volkomen joods is en dat juist dit een groot gevaar voor hem en zijn omgeving betekent”. In Friesland vormde hij ook een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving. Op het moment dat er iemand voor de deur stond moest hij zich eigenlijk verschuilen, maar in plaats daarvan had hij de gewoonte alles hardop zingend door te geven (bijvoorbeeld “de melkman staat voor de deur”). Mossel had er zelf moeite mee hoe hij in het in 1971 verschenen boek De Schuilplaats over Corrie ten Boom werd neergezet.
Na de oorlog bleek dat Mossel van zijn ouderlijk gezin de enige overlevende was. Samen met zijn vrouw en drie kinderen, die allen wel de oorlog overleefd hadden, vestigde hij zich aanvankelijk in Amsterdam en later Maastricht. Vanaf 1949 was hij voorzanger van de Joodse gemeente in Den Haag, waar het gezin ging wonen. Daarnaast vervulde hij de rol van sociaal werker en godsdienstleraar. Sinds 1963 was hij geestelijk verzorger in het gevangeniswezen. Na zijn pensioen overwoog Mossel te emigreren naar Israël, maar zijn vrouw sprak de taal niet en Mossel zelf had moeite met de Israëlische mentaliteit.