| Micropsalliota | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Geslacht | ||||||||||
| Micropsalliota Höhn. (1914) | ||||||||||
| Typesoort | ||||||||||
| Micropsalliota pseudovolvulata | ||||||||||
| ||||||||||
Micropsalliota is een geslacht van schimmels uit de familie Agaricaceae. De soorten vormen doorgaans kleine, slanke paddenstoelen met bruine basidiosporen. Het geslacht komt voornamelijk voor in tropische en subtropische gebieden, maar is ook uit Europa bekend.
Het geslacht werd in 1914 beschreven door de Oostenrijkse mycoloog Franz Xaver Rudolf von Höhnel. De typesoort is Micropsalliota pseudovolvulata, die in 1907 werd verzameld in de botanische tuin van Bogor op Java, Indonesië.
De oorspronkelijke omschrijving van het geslacht werd later herzien door onder anderen Paul Heinemann, Pegler en Rayner. Aanvankelijk bestond onzekerheid over de taxonomische afbakening van Micropsalliota, omdat de gebruikte onderscheidende kenmerken niet altijd betrouwbaar bleken.
Moleculair fylogenetisch onderzoek op basis van onder meer de ribosomale DNA-regio's ITS en LSU bevestigde dat Micropsalliota een monofyletische groep vormt. Het geslacht is nauw verwant aan Hymenagaricus.
Latere onderzoeken, waarbij ook de genen rpb2 en tef1-α werden betrokken, maakten het mogelijk verschillende evolutionaire afstammingslijnen binnen het geslacht te onderscheiden.
De vruchtlichamen zijn meestal klein tot middelgroot en hebben een slanke bouw. De hoed is vaak gewelfd tot uitgespreid en kan een centrale bult bezitten. Het oppervlak is doorgaans vezelig of bedekt met kleine schubjes. De kleuren lopen uiteen van witachtig en crèmekleurig tot bruin, roodbruin en paarsachtig.
De lamellen staan vrij van de steel en verkleuren tijdens de rijping van de sporen van licht naar bruinachtig. De sporenafdruk is bruin tot donkerbruin.
De steel is doorgaans dun en cilindrisch. Bij veel soorten is een vliezige ring aanwezig, die afkomstig is van het gedeeltelijke velum. Deze ring kan vergankelijk zijn of ontbreken.
De basidiosporen zijn meestal ellipsoïde, langwerpig of amandelvormig. Bij sommige soorten zijn ze enigszins bootvormig. Ze zijn bruinachtig, hebben doorgaans geen kiemporie en bezitten bij veel soorten een plaatselijke verdikking van de binnenste sporenwand aan de top.
De basidiën zijn knotsvormig en kunnen twee of vier sporen dragen, afhankelijk van de soort.
De cheilocystiden aan de lamelsnede zijn vaak karakteristiek gevormd. Ze kunnen knotsvormig, flesvormig of langwerpig zijn en hebben bij veel soorten een verdikte, min of meer bolvormige top (capitaat of subcapitaat). Ook gevorkte vormen komen voor. Pleurocystiden zijn bij verschillende soorten afwezig, maar kunnen bij andere soorten wel aanwezig zijn.
De pileipellis (hoedhuid) bestaat vaak uit liggende hyfen, die geïncrusteerd kunnen zijn met pigment. Een kenmerkende reactie bij verschillende soorten is dat pigmenten in de hoedhuid onder invloed van ammoniak groen tot olijfgroen verkleuren. Deze reactie kan bij de determinatie worden gebruikt.
Soorten van Micropsalliota groeien doorgaans terrestrisch op de bodem van bossen. Ze worden onder meer aangetroffen op humusrijke grond, tussen bladafval en in moslagen. Verschillende soorten groeien in loofbossen of gemengde bossen, zowel afzonderlijk als in kleine groepen.
Sommige soorten komen ook voor in andere habitats. De ecologische voorkeuren kunnen sterk verschillen tussen de afzonderlijke soorten.
Het geslacht heeft een voornamelijk tropische en subtropische verspreiding. Soorten zijn bekend uit Afrika, Azië en Amerika. Vooral uit tropische gebieden in Zuidoost-Azië zijn veel soorten beschreven, onder andere uit India, Thailand, Maleisië, Indonesië en China.
Het aantal bekende soorten is door recent taxonomisch onderzoek sterk toegenomen. Een onderzoek uit 2022 vermeldde 62 soorten en vijf variëteiten in Index Fungorum, terwijl in 2024 zeven nieuwe soorten uit Zuid-China werden beschreven.
Ook buiten de tropen komt het geslacht voor. Een opvallende vertegenwoordiger is Micropsalliota geesterani, die oorspronkelijk als Agaricus geesterani uit Nederland werd beschreven. Deze soort onderscheidt zich van de meeste andere soorten van het geslacht door zijn relatief grote, stevige vruchtlichamen.
Tot de beschreven soorten behoren onder andere: