| Oliver Cowdery | ||
|---|---|---|
Oliver Cowdery, omstreeks 1848 | ||
| Algemene informatie | ||
| Geboren | 3 oktober 1806 Wells, Vermont | |
| Overleden | 3 maart 1850 Richmond | |
| Nationaliteit | Amerikaans | |
| Beroep | Onderwijzer, redacteur, jurist en religieus leider | |
| Familie | ||
| Partner | Elizabeth Ann Cowdery | |
| Vader | William Cowdery | |
| Moeder | Rebecca Cowdery | |
Oliver Cowdery (Wells, Vermont, 3 oktober 1806 – Richmond, Missouri, 3 maart 1850) was een Amerikaans onderwijzer, redacteur, jurist en religieus leider. Hij speelde een belangrijke rol bij het ontstaan van de beweging van de heiligen der laatste dagen en werkte nauw samen met Joseph Smith, de grondlegger van deze beweging.
Cowdery was de belangrijkste schrijver tijdens de totstandkoming van het Boek van Mormon in 1829 en behoorde tot de drie getuigen die verklaarden de gouden platen te hebben gezien waarop de tekst volgens Smith was gebaseerd. Hij was daarnaast betrokken bij de oprichting van de Kerk in 1830 en bekleedde gedurende verschillende jaren een vooraanstaande positie in de kerkelijke leiding.
In 1838 werd Cowdery na een conflict met Smith en andere kerkleiders geëxcommuniceerd. Hij werkte vervolgens als jurist en redacteur, maar sloot zich in 1848 opnieuw aan bij De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Hij overleed twee jaar later, op 43-jarige leeftijd.
Oliver Cowdery werd geboren als zoon van William Cowdery en Rebecca Fuller. Hij groeide op in een gezin met een congregationalistische achtergrond. Zijn moeder overleed toen hij nog jong was, waarna zijn vader hertrouwde.
In 1825 verhuisde Cowdery naar het westen van de staat New York, waar hij onder meer als winkelbediende en landarbeider werkzaam was. In 1828 werd hij onderwijzer in Manchester, nabij Palmyra.
Tijdens zijn verblijf in Manchester woonde Cowdery enige tijd bij het gezin van Joseph Smith sr. Daar hoorde hij over de religieuze ervaringen van diens zoon Joseph Smith en over diens verklaring dat hij beschikte over oude gouden platen met een religieuze tekst.
Cowdery raakte geïnteresseerd in Smiths werkzaamheden en besloot hem in Pennsylvania op te zoeken.
In april 1829 reisde Cowdery naar Harmony, Pennsylvania, waar Joseph Smith verbleef. Op 7 april begon hij als schrijver mee te werken aan de vertaling van het Boek van Mormon.
Volgens Smith was de oorspronkelijke tekst gegraveerd op gouden platen die hij door goddelijke aanwijzing had ontvangen. Hij verklaarde de tekst met behulp van goddelijke inspiratie te vertalen. Cowdery schreef op wat Smith hem dicteerde.
Het grootste deel van het oorspronkelijke manuscript van het Boek van Mormon werd in de daaropvolgende maanden door Cowdery opgeschreven. Het werk werd aanvankelijk in Harmony uitgevoerd en later voortgezet in Fayette, New York, waar Smith en Cowdery bij het gezin Whitmer verbleven.
Het manuscript vormde de basis voor de eerste gedrukte editie van het Boek van Mormon, die in maart 1830 in Palmyra verscheen. Cowdery hielp bij het voorbereiden van de tekst voor publicatie en bij het toezicht op het drukproces.
Volgens de verklaringen van Smith en Cowdery ontvingen zij op 15 mei 1829 tijdens een religieuze ervaring het Aäronisch priesterschap van Johannes de Doper. Deze zou aan hen zijn verschenen en hun door handoplegging priesterschapsgezag hebben verleend.
Smith en Cowdery verklaarden vervolgens elkaar in de Susquehanna te hebben gedoopt.
Volgens latere verslagen ontvingen zij ook het Melchizedeks priesterschap door een verschijning van de apostelen Petrus, Jakobus en Johannes. De precieze datum van deze tweede gebeurtenis is niet bekend.
Binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen worden deze gebeurtenissen beschouwd als de herstelling van het priesterschapsgezag. De verschijningen zelf behoren tot de religieuze overlevering en kunnen niet onafhankelijk historisch worden vastgesteld.
Cowdery was samen met Martin Harris en David Whitmer een van de drie getuigen van het Boek van Mormon.
Volgens hun gezamenlijke verklaring verscheen hun in 1829 een engel die hun de gouden platen toonde. Zij verklaarden daarnaast een goddelijke stem te hebben gehoord die bevestigde dat de tekst door Gods macht was vertaald.
Hun getuigenis werd opgenomen in de eerste editie van het Boek van Mormon en maakt sindsdien deel uit van de inleidende pagina's van het boek.
Cowdery bleef ook na zijn breuk met Joseph Smith verklaren dat hij getuige was geweest van de gebeurtenissen die hij in deze verklaring beschreef. Zijn getuigenis kreeg daardoor een blijvende betekenis binnen de beweging van de heiligen der laatste dagen.
Op 6 april 1830 was Cowdery betrokken bij de officiële oprichting van de kerkelijke organisatie die aanvankelijk de Church of Christ werd genoemd.
Hij werd naast Joseph Smith erkend als een van de eerste ouderlingen van de Kerk en stond gedurende de beginjaren bekend als de tweede ouderling.
In 1830 leidde Cowdery een groep zendelingen die naar het westen van de Verenigde Staten reisde om het nieuwe geloof te verkondigen, onder meer aan inheemse bevolkingsgroepen.
Tijdens deze reis bezochten de zendelingen Kirtland in Ohio. Hun prediking leidde daar tot een aanzienlijke groep bekeerlingen. Kirtland ontwikkelde zich vervolgens tot een belangrijk centrum van de jonge kerkelijke beweging.
Cowdery vervulde gedurende de jaren 1830 verschillende bestuurlijke en religieuze functies.
Op 5 december 1834 werd hij aangesteld als assistent-president van de Kerk. Daarmee kreeg hij een vooraanstaande plaats binnen de kerkelijke hiërarchie, direct onder Joseph Smith.
Hij was betrokken bij het onderwijs aan kerkleden, de ontwikkeling van de priesterschapsorganisatie en de vastlegging van de vroege kerkgeschiedenis.
Ook speelde hij een rol bij de organisatie van het Quorum der Twaalf Apostelen in 1835.
Cowdery was daarnaast werkzaam als redacteur van kerkelijke publicaties, waaronder The Evening and the Morning Star en Latter Day Saints' Messenger and Advocate. In laatstgenoemd tijdschrift publiceerde hij in 1834 en 1835 een reeks brieven over de vroege geschiedenis van Joseph Smith en de totstandkoming van het Boek van Mormon.
Cowdery was betrokken bij de religieuze activiteiten rond de[Kirtlandtempel, die in maart 1836 werd ingewijd.
Volgens een verslag van Joseph Smith en Cowdery verscheen Jezus Christus op 3 april 1836 aan hen in de tempel. Hetzelfde verslag beschrijft verschijningen van Mozes, Elias en Elia, die volgens de kerkelijke leer bepaalde priesterschapssleutels overdroegen.
Deze gebeurtenissen zijn opgenomen in afdeling 110 van Leer en Verbonden.
Binnen de theologie van de heiligen der laatste dagen vormen deze verklaringen een belangrijk onderdeel van de leer over priesterschapsgezag, tempelverordeningen en de verbondenheid van families over de generaties heen.
Vanaf het midden van de jaren 1830 verslechterde de verhouding tussen Cowdery en Joseph Smith. De meningsverschillen hadden onder meer betrekking op kerkelijk bestuur, financiële aangelegenheden en de grenzen van het gezag van religieuze leiders.
Een belangrijk twistpunt was Smiths relatie met Fanny Alger, een jonge vrouw die eerder in het huishouden van Smith had gewerkt.
Cowdery beschouwde deze relatie als ongeoorloofd en sprak daarover met anderen. Smith bestreed de beschuldiging van overspel. Latere kerkelijke verklaringen beschreven de relatie als een vroeg meervoudig huwelijk. Historici verschillen van mening over de precieze aard en omstandigheden van deze relatie.
Daarnaast ontstonden conflicten over zakelijke transacties en Cowdery's opvatting dat kerkelijke autoriteiten geen zeggenschap mochten uitoefenen over al zijn persoonlijke en financiële aangelegenheden.
Op 12 april 1838 werd Cowdery door een kerkelijke raad in Far West, Missouri, geëxcommuniceerd.
Tijdens de behandeling werden verschillende beschuldigingen tegen hem ingebracht, waaronder het verspreiden van beschuldigingen tegen Joseph Smith, conflicten over eigendommen en het weigeren zich in bepaalde aangelegenheden aan kerkelijk gezag te onderwerpen.
Cowdery was niet persoonlijk aanwezig bij de volledige behandeling van de zaak en verdedigde zijn opvattingen schriftelijk.
Zijn uitsluiting maakte deel uit van een bredere periode van interne conflicten, waarin meerdere prominente leiders de jonge kerkelijke beweging verlieten of eruit werden verwijderd.
Na zijn excommunicatie vestigde Cowdery zich enige tijd in Missouri en keerde vervolgens terug naar Ohio.
In de jaren 1840 woonde hij in Tiffin, waar hij als jurist werkzaam was en verschillende plaatselijke functies vervulde. Hij raakte betrokken bij politieke activiteiten en werkte als redacteur van een krant.
Later verhuisde hij naar het toenmalige Wisconsin Territory, waar hij eveneens als jurist en journalist werkte.
Tijdens deze jaren had Cowdery geen leidende rol meer binnen de beweging van de heiligen der laatste dagen. Hij kwam ook in aanraking met andere christelijke geloofsgemeenschappen.
In 1848 zocht Cowdery opnieuw aansluiting bij de kerkelijke gemeenschap waarvan hij tien jaar eerder was uitgesloten.
In oktober van dat jaar bezocht hij een bijeenkomst in Kanesville, het latere Council Bluffs, waar veel leden van de Kerk verbleven tijdens hun migratie naar het westen.
Tijdens deze bijeenkomst sprak Cowdery over zijn vroegere betrokkenheid bij Joseph Smith en bevestigde hij opnieuw zijn getuigenis van het Boek van Mormon.
Op 12 november 1848 werd hij opnieuw gedoopt, waarmee hij weer lid werd van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
Hij kreeg na zijn terugkeer geen vergelijkbare leidinggevende positie als in de jaren 1830.
Op 18 december 1832 trouwde Cowdery met Elizabeth Ann Whitmer, een dochter van Peter Whitmer sr. en een zus van David Whitmer, een van de andere drie getuigen van het Boek van Mormon.
Het echtpaar kreeg meerdere kinderen. Alleen hun dochter Maria Louise bereikte de volwassen leeftijd.
Na zijn terugkeer naar de Kerk verbleef Cowdery bij familie in Richmond, Missouri. Hij overleed daar op 3 maart 1850, op 43-jarige leeftijd.
Cowdery werd begraven in Richmond. Zijn vrouw Elizabeth overleed in 1892.
Oliver Cowdery wordt beschouwd als een van de belangrijkste personen uit de beginperiode van de beweging van de heiligen der laatste dagen.
Zijn historische betekenis berust vooral op zijn directe betrokkenheid bij de totstandkoming van het Boek van Mormon, zijn rol bij de oprichting van de Kerk en zijn werkzaamheden binnen de vroege kerkelijke leiding.
De manuscripten, brieven en andere documenten die Cowdery naliet, vormen belangrijke bronnen voor het onderzoek naar Joseph Smith en de ontwikkeling van de beweging in de jaren 1820 en 1830.
Zijn breuk met Smith en zijn latere terugkeer illustreren daarnaast de interne spanningen en veranderingen binnen de jonge religieuze gemeenschap.
Binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen wordt Cowdery in het bijzonder herinnerd als een van de drie getuigen van het Boek van Mormon en als een belangrijke medewerker bij de herstelling van het priesterschapsgezag.