Joseph Smith (Sharon, 23 december 1805 – Carthage, 27 juni 1844) was een Amerikaanse religieuze leider en de grondlegger van de beweging van de heiligen der laatste dagen, waaruit verschillende kerkgenootschappen zijn voortgekomen, waaronder De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
Smith publiceerde in 1830 het Boek van Mormon en verklaarde gedurende zijn leven verschillende goddelijke visioenen en openbaringen te hebben ontvangen. Een deel van zijn openbaringen werd later opgenomen in de Leer en Verbonden.
Smith was een van de elf kinderen van Joseph Smith sr. en Lucy Mack Smith. Zijn ouders waren landbouwers en het gezin kampte regelmatig met financiële moeilijkheden. Na verschillende verhuizingen vestigde de familie zich in 1816 in Palmyra, in het westen van de staat New York.
Smith groeide op tijdens de Second Great Awakening, een periode van religieuze heropleving in de Verenigde Staten. De religieuze verscheidenheid en opwekkingsbewegingen in zijn omgeving beïnvloedden zijn belangstelling voor geloofsvragen. Volgens zijn latere autobiografische verslagen hield hij zich al op jonge leeftijd bezig met vragen over zonde, verlossing en de verschillen tussen christelijke kerkgenootschappen.
In zijn jeugd hield Smith zich ook bezig met het zoeken naar verborgen schatten, waarbij onder meer zienerstenen werden gebruikt. Dergelijke praktijken maakten deel uit van de volksreligieuze cultuur in het noordoosten van de Verenigde Staten.
Op 18 januari 1827 trouwde Smith met Emma Hale, die hij had leren kennen tijdens werkzaamheden in Pennsylvania. Het echtpaar kreeg negen biologische kinderen en adopteerde daarnaast twee kinderen. Van deze elf kinderen bereikten er vijf de volwassen leeftijd.
Volgens Joseph Smith ontving hij in september 1827 gouden platen van de engel Moroni. Hij verklaarde dat de platen een verslag bevatten van vroegere bewoners van het Amerikaanse continent. In de daaropvolgende jaren dicteerde hij een Engelse tekst, die in maart 1830 in Palmyra werd gepubliceerd onder de titel Boek van Mormon.
Bij het dicteren werd Smith bijgestaan door verschillende schrijvers, onder wie Martin Harris, Oliver Cowdery en zijn echtgenote Emma. Volgens verklaringen van betrokkenen gebruikte hij daarbij onder meer zienerstenen. De oorsprong en historische authenticiteit van het Boek van Mormon zijn onderwerp van religieuze en wetenschappelijke discussie.
Op 6 april 1830 organiseerde Smith met een kleine groep volgelingen een kerkelijke gemeenschap in Fayette, in de staat New York. De beweging breidde zich in de daaropvolgende maanden uit door zendingsactiviteiten en de toetreding van nieuwe leden. Een van de invloedrijkste vroege bekeerlingen was Sidney Rigdon, een predikant uit Ohio die later een prominente rol in de kerk zou vervullen.
Begin 1831 verhuisde Smith naar Kirtland, waar zich een belangrijk centrum van de jonge religieuze beweging ontwikkelde.
In Kirtland ontwikkelde Smith de organisatie en leerstellingen van de kerk verder. Er werden nieuwe kerkelijke bestuursorganen ingesteld, waaronder in 1835 het Quorum der Twaalf Apostelen. Op 27 maart 1836 werd de Kirtlandtempel, de eerste tempel van de beweging, ingewijd.
Smith was daarnaast betrokken bij economische activiteiten, waaronder de oprichting van de Kirtland Safety Society in 1836. Deze financiële instelling slaagde er niet in een bankvergunning te verkrijgen en werd begin 1837 gereorganiseerd. In de zomer van dat jaar beëindigde zij haar activiteiten. De financiële problemen veroorzaakten spanningen binnen de gemeenschap en droegen bij aan het vertrek van verschillende kerkleden.
Vanaf 1831 vestigden zich ook kerkleden in Missouri. Smith wees de omgeving van Independence aan als de plaats waar volgens zijn openbaringen het toekomstige Nieuwe Jeruzalem zou worden gebouwd. De groei van de gemeenschap leidde tot conflicten met andere inwoners, onder meer over religieuze opvattingen, economische belangen en politieke invloed.
In 1838 mondden de spanningen uit in gewapende confrontaties. Gouverneur Lilburn Boggs vaardigde op 27 oktober een bevel uit waarin werd bepaald dat de mormonen uit Missouri moesten worden verdreven of uitgeroeid. Smith werd eind oktober gevangengenomen en verbleef van december 1838 tot april 1839 in gevangenschap in Liberty. De meeste kerkleden verlieten Missouri en vestigden zich vervolgens in Illinois.
Na zijn vrijlating in 1839 vestigde Joseph Smith zich in Illinois, waar de heiligen der laatste dagen de stad Nauvoo ontwikkelden. De stad groeide uit tot het belangrijkste centrum van de beweging en trok duizenden nieuwe inwoners, onder wie immigranten uit Europa.
Smith bekleedde in Nauvoo zowel religieuze als politieke functies. Hij werd in 1842 burgemeester en stond aan het hoofd van de Nauvoo Legion, een plaatselijke militie. De aanzienlijke bestuurlijke bevoegdheden van Nauvoo en de groeiende politieke invloed van de kerkelijke gemeenschap leidden tot spanningen met inwoners van de omliggende gebieden.
Tijdens zijn verblijf in Nauvoo introduceerde Smith verdere religieuze leerstellingen en rituelen, waaronder tempelverordeningen, verzegelingen en het meervoudig huwelijk. Ook werd begonnen met de bouw van de Nauvootempel.
In maart 1842 werd Smith lid van de vrijmetselaarsloge in Nauvoo. Kort daarna introduceerde hij de tempelbegiftiging, een religieuze ceremonie waarin historici overeenkomsten met bepaalde vrijmetselaarsrituelen hebben vastgesteld.
In 1844 stelde Smith zich kandidaat voor het presidentschap van de Verenigde Staten. Zijn politieke programma omvatte onder meer de oprichting van een nationale bank, hervorming van het gevangeniswezen, uitbreiding van de federale bevoegdheden ter bescherming van burgers en de geleidelijke afschaffing van de slavernij door compensatie aan slavenhouders.
Zijn presidentscampagne werd beëindigd door zijn dood op 27 juni 1844.
In juni 1844 liepen de spanningen tussen Joseph Smith en zijn tegenstanders in Nauvoo sterk op. Nadat de oppositiekrant Nauvoo Expositor kritiek had geuit op zijn religieuze en politieke leiderschap, gaf Smith als burgemeester op 10 juni opdracht de drukpers te vernietigen. Dit leidde tot verdere onrust en juridische vervolging van Smith en andere betrokkenen.
Smith begaf zich vervolgens naar Carthage om zich voor de autoriteiten te verantwoorden. Daar werden hij en zijn broer Hyrum Smith gevangengezet. Op 27 juni 1844 werd de gevangenis aangevallen door een gewapende menigte, waarbij beide broers werden gedood.
Binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen worden Joseph en Hyrum Smith als martelaren beschouwd.
Na de dood van Joseph Smith in 1844 ontstond binnen de beweging onenigheid over de vraag wie hem als kerkelijk leider moest opvolgen. Verschillende prominente kerkleden, onder wie Brigham Young, Sidney Rigdon en James Strang, maakten aanspraak op het leiderschap of werden door groepen volgelingen als opvolger erkend. Op 8 augustus 1844 vonden in Nauvoo bijeenkomsten plaats waarin de opvolging van Smith werd besproken. Een groot deel van de aanwezige kerkleden steunde het leiderschap van het Quorum der Twaalf Apostelen, onder leiding van Brigham Young.
De grootste groep volgde Brigham Young en trok vanaf 1846 westwaarts naar het gebied van het huidige Utah. Deze beweging ontwikkelde zich tot De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, waarvan het hoofdkantoor in Salt Lake City is gevestigd.
Andere groepen bleven in het middenwesten van de Verenigde Staten of ontwikkelden afzonderlijke kerkgenootschappen. Op 6 april 1860 werd Joseph Smith III, een zoon van Joseph Smith, president van een gereorganiseerde kerkelijke beweging, die later bekend werd als de Reorganized Church of Jesus Christ of Latter Day Saints. Sinds 2001 draagt deze kerk de naam Gemeenschap van Christus.
Joseph Smith geldt als de grondlegger van de beweging van de heiligen der laatste dagen. Zijn religieuze geschriften en leerstellingen vormen de basis voor verschillende kerkgenootschappen. Zijn leven, religieuze aanspraken en historische nalatenschap zijn onderwerp van wetenschappelijk onderzoek en uiteenlopende interpretaties.
Volgens Joseph Smith had hij als jongeman in het voorjaar van 1820 een religieus visioen in een bos bij zijn woonplaats in het westen van de staat New York. In zijn bekendste verslag beschreef hij hoe hij God de Vader en Jezus Christus zag verschijnen nadat hij had gebeden om te weten bij welk kerkgenootschap hij zich moest aansluiten. Volgens dit verslag kreeg hij te horen dat hij zich bij geen van de bestaande kerkgenootschappen moest aansluiten. Binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen wordt deze gebeurtenis, bekend als het Eerste Visioen, beschouwd als het begin van de herstelling van het evangelie.
Van het Eerste Visioen zijn verschillende verslagen bewaard gebleven. Het vroegst bekende verslag dateert uit 1832 en werd gedeeltelijk door Smith zelf geschreven. Hierin beschreef hij zijn religieuze zoektocht en een verschijning van de Heer. In een verslag uit 1835 sprak hij over twee hemelse personen die na elkaar verschenen, terwijl hij in zijn bekendste verslag uit 1838 beschreef dat God de Vader en Jezus Christus gezamenlijk aan hem verschenen. Een vierde verslag werd in 1842 gepubliceerd in de kerkelijke krant Times and Seasons.
De eerste gepubliceerde beschrijving van het visioen verscheen in 1840 in een brochure van Orson Pratt, getiteld A[n] Interesting Account of Several Remarkable Visions. Het verslag uit 1838 werd in 1842 gepubliceerd en later opgenomen in de Parel van Grote Waarde, een van de heilige geschriften van de kerk.
De overgeleverde verslagen verschillen in onder meer de aanleiding tot het gebed, de beschreven verschijningen en bepaalde chronologische details. De betekenis van deze verschillen en de ontwikkeling van de plaats die het Eerste Visioen binnen de beweging van de heiligen der laatste dagen inneemt, zijn onderwerp van historisch onderzoek.
Volgens Joseph Smith ontving hij in 1827 gouden platen met een religieus verslag van vroegere bewoners van het Amerikaanse continent. Hij verklaarde dat hij de tekst met goddelijke hulp in het Engels vertaalde. Het resultaat werd in maart 1830 gepubliceerd als het Boek van Mormon, genoemd naar Mormon, die in het boek wordt beschreven als een profeet en samensteller van een groot deel van de geschriften.
Het grootste deel van de tekst werd tussen april en juni 1829 gedicteerd, voornamelijk aan Oliver Cowdery. Eerder hadden onder anderen Emma Smith en Martin Harris als schrijver gefungeerd. Een gedeelte van het oorspronkelijke manuscript ging in 1828 verloren toen Harris een deel van de vertaalde tekst meenam.
Volgens verklaringen van betrokkenen gebruikte Smith bij het vertaalproces zowel zogenoemde uitleggers, die hij samen met de platen zou hebben aangetroffen, als een zienersteen die hij al eerder bezat. Verschillende getuigen beschreven hoe hij een van deze voorwerpen in een hoed plaatste om het licht buiten te sluiten en vervolgens de tekst dicteerde. Smith zelf gaf weinig bijzonderheden over de werkwijze en verklaarde dat de vertaling door de gave en macht van God tot stand was gekomen.
Elf mannen verklaarden de gouden platen te hebben gezien. Drie van hen verklaarden dat een engel hun de platen had getoond, terwijl acht anderen getuigden dat zij de platen hadden gezien en vastgehouden. Hun verklaringen werden opgenomen in het Boek van Mormon. De platen zelf zijn niet beschikbaar voor onafhankelijk onderzoek. De herkomst en historische authenticiteit van het Boek van Mormon blijven onderwerp van religieuze en wetenschappelijke discussie.
Volgens de overgeleverde verslagen van Joseph Smith en Oliver Cowdery ontvingen zij in 1829 door hemelse verschijningen het priesterschapsgezag, dat volgens hun geloof na de tijd van de oorspronkelijke christelijke kerk verloren was gegaan.
Volgens hun latere beschrijvingen verscheen op 15 mei 1829 Johannes de Doper aan hen en verleende hun het Aäronisch priesterschap. Vervolgens zouden de apostelen Petrus, Jakobus en Johannes hun het Melchizedeks priesterschap hebben verleend. De precieze datum van deze tweede gebeurtenis is niet bekend.
Binnen de beweging van de heiligen der laatste dagen vormen deze gebeurtenissen een belangrijk onderdeel van de leer over de herstelling van het kerkelijk gezag. Het Aäronisch en Melchizedeks priesterschap worden daarbij beschouwd als twee orden van priesterschapsgezag, waaraan verschillende religieuze taken en bevoegdheden zijn verbonden.

Joseph Smith was sinds 1827 gehuwd met Emma Hale. Vanaf de jaren 1830 ging hij daarnaast meerdere huwelijksverbintenissen aan, die binnen de beweging van de heiligen der laatste dagen werden aangeduid als meervoudige huwelijken. Het precieze aantal vrouwen met wie Smith dergelijke verbintenissen aanging, is niet met zekerheid vast te stellen. Historicus Todd Compton identificeerde 33 vrouwen in zijn studie In Sacred Loneliness: The Plural Wives of Joseph Smith (1997). In een historisch essay van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen wordt het aantal op ongeveer dertig tot veertig geschat.
Sommige vrouwen waren op het moment van hun verbintenis met Smith al met een andere man gehuwd. Onder zijn huwelijkspartners bevonden zich ook minderjarigen, onder wie Helen Mar Kimball, die veertien jaar oud was toen zij aan Smith werd verzegeld. De huwelijksverbintenissen verschilden volgens de overgeleverde bronnen in aard en betekenis. Binnen de kerkelijke terminologie werd onderscheid gemaakt tussen verzegelingen voor zowel het aardse leven als de eeuwigheid en verzegelingen die uitsluitend betrekking hadden op de eeuwigheid. De precieze aard van sommige verbintenissen is historisch niet vastgesteld.
De praktijk leidde tot spanningen binnen Smiths gezin en de kerkelijke gemeenschap. Emma Smith verzette zich op verschillende momenten tegen het meervoudig huwelijk, hoewel zij volgens historische bronnen tijdelijk met enkele van Smiths andere huwelijken instemde. Het is onzeker in hoeverre zij van alle verbintenissen op de hoogte was. De omvang van haar kennis en haar wisselende houding tegenover het meervoudig huwelijk zijn onderwerp van historisch onderzoek.
De religieuze beweging die Joseph Smith stichtte, beschouwt zichzelf als christelijk. Binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen neemt Jezus Christus een centrale plaats in als de Zoon van God en verlosser van de mensheid. De beweging onderscheidt zich echter op verschillende leerstellige punten van het traditionele christendom.
Een belangrijk verschil betreft de opvatting over de Drie-eenheid. De meeste katholieke, orthodoxe en protestantse kerken belijden dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie personen zijn die één goddelijk wezen delen. Volgens de door Smith ontwikkelde leer zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie afzonderlijke personen die volmaakt één zijn in doel en wil. Deze godsopvatting wijkt af van de traditionele trinitarische geloofsleer.
Daarnaast erkennen de heiligen der laatste dagen naast de Bijbel andere heilige geschriften, waaronder het Boek van Mormon, de Leer en Verbonden en de Parel van Grote Waarde. Ook geloven zij in voortgaande goddelijke openbaring en het herstel van het oorspronkelijke kerkelijke gezag.
Vanwege deze leerstellige verschillen beschouwen sommige christelijke kerkgenootschappen de beweging van de heiligen der laatste dagen niet als onderdeel van het traditionele christendom. De heiligen der laatste dagen zelf beschouwen hun geloof als een herstelling van het oorspronkelijke christendom.