Hyrum Smith

Hyrum Smith
Portret van Hyrum Smith
Portret van Hyrum Smith
Algemene informatie
Geboren Tunbridge, Vermont
Nationaliteit Amerikaans
Beroep Landbouwer, ambachtsman en religieus leider

Hyrum Smith (Tunbridge, Vermont, 9 februari 1800 – Carthage, Illinois, 27 juni 1844) was een Amerikaans religieus leider en een van de belangrijkste personen uit de beginperiode van de beweging van de heiligen der laatste dagen. Hij was een oudere broer van Joseph Smith, de grondlegger van deze beweging, en vervulde verschillende leidinggevende functies binnen de kerk die in 1830 werd opgericht.

Hyrum Smith behoorde tot de acht getuigen die in 1829 verklaarden de gouden platen te hebben gezien waarop het Boek van Mormon volgens Joseph Smith was gebaseerd. Hij was betrokken bij de oprichting van de Kerk, het zendingswerk en de ontwikkeling van de kerkelijke organisatie. Vanaf 1840 was hij patriarch van de Kerk en in 1841 kreeg hij een bijzondere positie als naaste medewerker van Joseph Smith in het Eerste Presidium.

Op 27 juni 1844 werd Hyrum Smith samen met zijn broer Joseph gedood door een gewapende menigte die de gevangenis van Carthage aanviel. Hun overlijden vormde een keerpunt in de geschiedenis van de beweging van de heiligen der laatste dagen.

Jeugd en familie

Hyrum Smith werd geboren als zoon van Joseph Smith sr. en Lucy Mack Smith. Hij was het tweede kind van het echtpaar en een oudere broer van Joseph Smith, die in 1805 werd geboren.

Het gezin verhuisde tijdens zijn jeugd verschillende keren binnen de staten Vermont en New Hampshire. Deze verhuizingen hielden onder meer verband met de wisselende economische omstandigheden waaronder zijn vader als landbouwer en ondernemer werkzaam was.

Hyrum kreeg voor zijn tijd een relatief uitgebreide opleiding. Rond zijn elfde bezocht hij Moor's Indian Charity School, een onderwijsinstelling die verbonden was met Dartmouth College in Hanover, New Hampshire.

In 1816 verhuisde het gezin Smith naar het westen van de staat New York, waar het zich in de omgeving van Palmyra vestigde.

Tijdens de jaren 1820 werkte Hyrum mee aan het levensonderhoud van het gezin. Hij was onder meer werkzaam als landbouwer en kuiper, een ambachtsman die houten vaten vervaardigt.

Ook was hij betrokken bij het plaatselijke onderwijs. Hij maakte deel uit van een schoolbestuur in Palmyra en was betrokken bij de beoordeling van onderwijzers, onder wie Oliver Cowdery, die later een belangrijke medewerker van Joseph Smith zou worden.

Betrokkenheid bij het Boek van Mormon

Vroege religieuze betrokkenheid

Hyrum Smith behoorde tot de eerste familieleden die belangstelling toonden voor de religieuze verklaringen van zijn jongere broer Joseph.

In de jaren 1820 vertelde Joseph Smith aan zijn familie dat hij goddelijke openbaringen had ontvangen en beschikte over gouden platen met een oude religieuze tekst.

Hyrum ondersteunde zijn broer bij diens werkzaamheden, hoewel hij zelf aanvankelijk lid was van een plaatselijke presbyteriaanse geloofsgemeenschap.

In juni 1829 werd Hyrum door Joseph Smith gedoopt in het Senecameer in de staat New York.

Hij was vervolgens betrokken bij de voorbereiding van de publicatie van het Boek van Mormon, waarvan de eerste editie in maart 1830 in Palmyra verscheen.

Een van de acht getuigen

In juni 1829 behoorde Hyrum Smith tot de acht getuigen van het Boek van Mormon.

Volgens hun gezamenlijke verklaring toonde Joseph Smith hun een verzameling platen waarvan hij zei dat deze de oorspronkelijke tekst van het Boek van Mormon bevatten.

De acht getuigen verklaarden dat zij de platen hadden gezien, vastgehouden en de tekens erop hadden waargenomen.

Hun getuigenis werd gepubliceerd in de eerste editie van het Boek van Mormon en maakt sindsdien deel uit van de inleidende pagina's van het boek.

Anders dan de drie getuigen, die verklaarden een engel en de platen te hebben gezien, beschreven de acht getuigen voornamelijk een fysieke waarneming van de platen.

De verklaring van Hyrum Smith vormt een belangrijke historische bron voor het onderzoek naar de vroege ontwikkeling van de beweging. Het bestaan en de herkomst van de platen zoals beschreven door Joseph Smith kunnen niet onafhankelijk worden vastgesteld.

Kerkelijke loopbaan

Oprichting van de Kerk

Hyrum Smith behoorde tot de zes personen die op 6 april 1830 betrokken waren bij de formele oprichting van de kerkelijke organisatie die aanvankelijk bekendstond als de Church of Christ.

In de eerste jaren vervulde hij verschillende godsdienstige en bestuurlijke taken.

Hij was onder meer verantwoordelijk voor de leiding van een kleine kerkelijke gemeente in Colesville, New York.

In 1831 verhuisde Hyrum met andere kerkleden naar Kirtland, Ohio, dat zich ontwikkelde tot een belangrijk centrum van de jonge religieuze beweging.

Op 4 juni 1831 werd hij door Joseph Smith tot hogepriester in het Melchizedeks priesterschap geordend.

In de daaropvolgende jaren vervulde hij verschillende zendingsopdrachten en was hij betrokken bij de organisatie van plaatselijke kerkelijke gemeenten.

Bouw van de Kirtlandtempel

Hyrum Smith speelde een belangrijke rol bij de bouw van de Kirtlandtempel, de eerste tempel van de beweging van de heiligen der laatste dagen.

In 1833 werd hij aangewezen als lid van het comité dat toezicht hield op de bouw van het gebouw.

De werkzaamheden vergden aanzienlijke financiële middelen en praktische inspanningen van de geloofsgemeenschap.

Hyrum hielp bij het organiseren van de bouw en het verwerven van de benodigde materialen.

De tempel werd op 27 maart 1836 ingewijd en kreeg binnen de beweging een belangrijke plaats als centrum voor erediensten, onderwijs en kerkelijke bijeenkomsten.

De betrokkenheid van Hyrum bij het project droeg bij aan zijn groeiende positie binnen de kerkelijke leiding.

Eerste Presidium

In december 1834 kreeg Hyrum Smith een functie als assistent binnen het presidium van het hogepriesterschap.

In september 1837 werd hij aangesteld als assisterend raadgever in het Eerste Presidium. Op 7 november van dat jaar werd hij tweede raadgever van Joseph Smith.

Daarmee behoorde Hyrum tot de hoogste leiding van de Kerk.

Tijdens zijn werkzaamheden als raadgever was hij betrokken bij kerkelijke besluitvorming, de begeleiding van plaatselijke leiders en de organisatie van godsdienstige activiteiten.

Zijn positie veranderde opnieuw in januari 1841, toen hij naast zijn werk als patriarch een bijzondere rol in de algemene kerkelijke leiding kreeg.

Patriarch van de Kerk

Na het overlijden van Joseph Smith sr. in september 1840 volgde Hyrum zijn vader op als patriarch van de Kerk.

Het ambt van patriarch was verbonden aan het geven van persoonlijke godsdienstige zegens, waarin onder meer geestelijke raad en uitspraken over iemands afstamming binnen het huis van Israël werden opgenomen.

Binnen de kerkelijke leer wordt een dergelijke zegen beschouwd als een persoonlijke vorm van goddelijke leiding.

Op 19 januari 1841 verklaarde Joseph Smith een openbaring te hebben ontvangen waarin Hyrums verantwoordelijkheden verder werden omschreven.

Volgens deze openbaring, tegenwoordig opgenomen in Leer en Verbonden 124, werd Hyrum aangewezen als patriarch en kreeg hij de opdracht om nauw met Joseph samen te werken.

Hij werd daarnaast aangeduid als profeet, ziener en openbaarder en kreeg een bijzondere positie binnen het Eerste Presidium.

In latere historische publicaties wordt zijn functie soms aangeduid als associate president of mede-president. De benaming werd echter tijdens zijn leven niet als formele ambtstitel gebruikt.

Zijn positie maakte Hyrum tot een van de invloedrijkste leiders binnen de Kerk, naast Joseph Smith zelf.

Missouri en gevangenschap

In 1838 verhuisde Hyrum Smith met zijn gezin naar Far West in de staat Missouri.

De groei van de beweging van de heiligen der laatste dagen leidde daar tot conflicten met andere inwoners over onder meer grondbezit, politieke invloed en religieuze verschillen.

De spanningen liepen in de loop van 1838 uit op gewelddadige confrontaties.

In oktober en november 1838 werden Joseph en Hyrum Smith samen met andere leiders gearresteerd.

De broers werden uiteindelijk overgebracht naar de gevangenis van Liberty, Missouri, waar zij gedurende de winter van 1838–1839 verbleven.

De gevangenschap vond plaats onder zware omstandigheden, terwijl de meeste kerkleden uit Missouri werden verdreven.

In april 1839 kregen de gevangenen tijdens een overplaatsing gelegenheid te ontsnappen. Hyrum en Joseph Smith reisden vervolgens naar Illinois, waar zich inmiddels een nieuwe gemeenschap van kerkleden had gevormd.

Bestuurlijke werkzaamheden in Nauvoo

In 1839 vestigde Hyrum Smith zich met zijn gezin in het gebied rond Commerce, Illinois, dat later de naam Nauvoo kreeg.

De stad ontwikkelde zich in de daaropvolgende jaren tot het belangrijkste centrum van de beweging van de heiligen der laatste dagen.

Hyrum vervulde naast zijn kerkelijke functies verschillende bestuurlijke taken.

In februari 1841 werd hij gekozen als lid van de gemeenteraad van Nauvoo.

Hij was daarnaast betrokken bij de Nauvoo Legion, een plaatselijke militie die onder gezag van de stad was georganiseerd. Hij vervulde er een functie als geestelijk verzorger.

Tussen 1842 en ongeveer 1843 was hij viceburgemeester van de stad.

Hyrum was tevens betrokken bij de bouw van de Nauvootempel en werd in 1843 benoemd tot lid van het tempelbouwcomité.

In maart 1844 trad hij toe tot de Council of Fifty, een door Joseph Smith georganiseerde raad die zich onder meer bezighield met politieke en bestuurlijke vraagstukken en de toekomst van de kerkelijke gemeenschap.

Zijn werkzaamheden illustreren de nauwe verwevenheid van religieus, maatschappelijk en plaatselijk bestuur in Nauvoo tijdens de laatste levensjaren van Joseph Smith.

Gezinsleven en meervoudig huwelijk

Huwelijk met Jerusha Barden

Op 2 november 1826 trouwde Hyrum Smith met Jerusha Barden in Manchester, New York.

Het echtpaar kreeg zes kinderen, van wie een aantal de volwassen leeftijd bereikte.

Jerusha ondersteunde haar echtgenoot tijdens de vroege ontwikkeling van de Kerk en de verhuizingen van de geloofsgemeenschap.

In oktober 1837 overleed zij in Kirtland, kort na de geboorte van hun jongste kind.

Hyrum bleef achter met de zorg voor zijn kinderen.

Huwelijk met Mary Fielding

Op 24 december 1837 trouwde Hyrum met Mary Fielding, een Engelse bekeerlinge die zich in Kirtland had gevestigd.

Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Joseph F. Smith en Martha Ann Smith.

Joseph F. Smith werd later, van 1901 tot 1918, de zesde president van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Na de dood van Hyrum in 1844 verhuisde Mary Fielding Smith met haar kinderen naar het westen van de Verenigde Staten, waar zij zich aansloot bij de gemeenschap onder leiding van Brigham Young.

Haar ervaringen tijdens de migratie kregen een plaats in de latere geschiedenis van de Kerk.

Meervoudig huwelijk

Tijdens de laatste jaren van zijn leven raakte Hyrum Smith betrokken bij het meervoudig huwelijk, dat door Joseph Smith binnen een beperkte kring van de geloofsgemeenschap was ingevoerd.

Historisch onderzoek heeft vastgesteld dat Hyrum aanvankelijk aarzelingen had over deze praktijk, maar haar later aanvaardde.

In augustus 1843 werd hij religieus verzegeld aan Mercy Rachel Fielding Thompson, een zus van Mary Fielding.

Deze verzegeling maakte deel uit van de ontwikkeling van het meervoudig huwelijk binnen de beweging in Nauvoo.

Het meervoudig huwelijk was destijds onderwerp van interne spanningen en publieke kritiek. De praktijk werd pas na de dood van Joseph en Hyrum Smith openlijker onderwezen binnen de door Brigham Young geleide gemeenschap.

Overlijden in Carthage

Politieke crisis in Nauvoo

In het voorjaar van 1844 namen de spanningen tussen de leiders van Nauvoo, voormalige kerkleden en andere inwoners van Hancock County toe.

Een belangrijk conflict ontstond na de publicatie van de Nauvoo Expositor op 7 juni 1844. Deze krant werd uitgegeven door voormalige aanhangers van Joseph Smith en bevatte kritiek op zijn religieuze en politieke leiderschap, waaronder beschuldigingen over geheime meervoudige huwelijken.

De gemeenteraad van Nauvoo, waarvan Hyrum Smith lid was, besloot dat de krant een openbare overlast vormde en gaf opdracht de drukpers te vernietigen.

De vernietiging van de drukkerij op 10 juni leidde tot verdere maatschappelijke onrust en juridische procedures tegen Joseph Smith en andere gemeentelijke bestuurders.

Joseph en Hyrum Smith werden beschuldigd van betrokkenheid bij de gebeurtenissen en later ook van hoogverraad, in verband met de afkondiging van de staat van beleg in Nauvoo.

Op 24 juni 1844 reisden de broers naar Carthage om zich ter beschikking van de autoriteiten te stellen. Zij werden op 25 juni vastgezet in de plaatselijke gevangenis.

De aanval op de gevangenis

Op 27 juni 1844 bevonden Joseph en Hyrum Smith zich samen met John Taylor en Willard Richards in een kamer op de bovenverdieping van de gevangenis van Carthage.

In de namiddag werd het gebouw aangevallen door een gewapende menigte.

Tijdens de aanval probeerden de gevangenen de deur van hun kamer gesloten te houden.

Hyrum Smith werd door geweervuur getroffen en overleed vrijwel onmiddellijk. Hij was 44 jaar oud.

Kort daarna werd ook Joseph Smith dodelijk getroffen. John Taylor raakte zwaargewond, terwijl Willard Richards de aanval zonder ernstige verwondingen overleefde.

De moord op de gebroeders Smith veroorzaakte grote beroering binnen de beweging en leidde tot een langdurige opvolgingscrisis.

Begrafenis

De lichamen van Joseph en Hyrum Smith werden op 28 juni 1844 naar Nauvoo teruggebracht.

Op 29 juni werden zij begraven. Vanwege bezorgdheid over mogelijke grafschennis werden de oorspronkelijke graven aanvankelijk geheimgehouden.

Later werden hun stoffelijke resten herbegraven op de familiebegraafplaats van de familie Smith in Nauvoo.

De graven van Joseph, Hyrum en Emma Smith bevinden zich tegenwoordig bij de historische begraafplaats van de familie Smith.

Historische betekenis

Hyrum Smith wordt beschouwd als een van de belangrijkste leiders uit de beginperiode van de beweging van de heiligen der laatste dagen.

Zijn historische betekenis berust op verschillende onderdelen van zijn leven: zijn betrokkenheid bij de publicatie van het Boek van Mormon, zijn rol bij de stichting en ontwikkeling van de Kerk, zijn werkzaamheden als patriarch en zijn positie binnen de algemene kerkelijke leiding.

Daarnaast was Hyrum actief in het plaatselijke bestuur van Nauvoo en bij de bouw van de Kirtland- en Nauvootempel.

Zijn bijzondere positie als naaste medewerker van Joseph Smith kreeg binnen de kerkelijke overlevering een belangrijke betekenis.

Binnen De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen worden Joseph en Hyrum Smith gezamenlijk als martelaren beschouwd. Hun overlijden wordt beschreven in afdeling 135 van Leer en Verbonden.

De historische omstandigheden rond hun dood, waaronder het politieke conflict in Nauvoo en de vernietiging van de drukpers van de Nauvoo Expositor, zijn onderwerp geweest van uitgebreid historisch onderzoek.

Hyrum Smith wordt daarmee niet alleen herinnerd als de broer van Joseph Smith, maar ook als een zelfstandig kerkelijk bestuurder en een belangrijke figuur in de ontwikkeling van de beweging.

Zie ook

Literatuur

Bronnen

  1. 1 2 3 4 5 (en) Smith, Hyrum. The Joseph Smith Papers. Church Historian's Press.
  2. 1 2 3 (en) Carthage Jail. National Park Service.
  3. 1 2 3 (en) Hyrum Smith. Church History Topics. De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
  4. ↑ (en) Hyrum Smith: Biographical Directory. The Joseph Smith Papers. Church Historian's Press.
  5. 1 2 (en) Ecclesiastical Officers and Church Appointees, 1839–1844. The Joseph Smith Papers. Church Historian's Press.
  6. ↑ (en) Smith, Jerusha T. Barden. The Joseph Smith Papers. Church Historian's Press.
  7. ↑ (en) Hyrum Smith. Mormon Studies. University of Virginia.
  8. ↑ (en) Documents, Volume 15: 16 May–28 June 1844. The Joseph Smith Papers. Church Historian's Press.